Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
04-6828 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen per einde wachttijd. Wegvallen functies geen gevolg voor de schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6828 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 november 2004, 03/503 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 9 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Daarna heeft appellant nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.M. Klootwijk. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 12 december 2002 heeft appellant geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien betrokkene op 4 december 2002, nadat hij 52 weken arbeidsongeschikt was geweest, een verlies aan verdiencapaciteit had van minder dan 15%.

Na daartegen door betrokkene gemaakt bezwaar heeft appellant die beslissing bij het besluit van 16 juli 2003 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het daartegen door betrokkene ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit van 16 juli 2003 vernietigd, appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten en bepaald dat het griffierecht aan betrokkene dient te worden vergoed. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de functionele beperkingen van betrokkene ten aanzien van de te beoordelen aspecten knielen/hurken en zitten. Hierdoor is volgens de rechtbank onvoldoende zeker of de bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen functies geschikt zijn voor betrokkene.

Tegen deze overwegingen van de rechtbank richt zich het hoger beroep van appellant. Appellant voert - op grond van een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz van 15 december 2004 - aan dat wèl rekening is gehouden met de beperkingen van betrokkene om geknield of gehurkt actief te zijn, waarbij in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) is aangegeven dat betrokkene een dergelijke houding minder dan vijf minuten kan volhouden. Voorts voert appellant - eveneens op grond van genoemd rapport - aan dat de overweging van de rechtbank, inhoudend dat betrokkene slechts beperkte tijd achtereen kan zitten, geen medische onderbouwing vindt in de voor handen zijnde medische gegevens en dat hiervoor geen functionele beperking kan worden aangenomen.

De Raad overweegt het volgende.

Betrokkene is in november 2002 onderzocht door de verzekeringsarts van appellant die daarbij de beschikking had over de medische voorgeschiedenis van betrokkene en die, mede op grond van diens eigen verhaal, een FML heeft opgesteld. Hierin heeft hij bij rubriek IV "Dynamische handelingen" bij onderdeel 22 "knielen of hurken" geen beperking aangegeven, waarbij is toegelicht dat betrokkene knielend of hurkend met de handen de grond kan bereiken (bijvoorbeeld om een muntstuk op te rapen). Bij rubriek V "Statische handelingen" heeft hij met een score 1 wel een beperking bij onderdeel 5 "geknield of gehurkt actief zijn" aangegeven, waarbij is toegelicht dat betrokkene minder dan vijf minuten achtereen geknield of gehurkt actief kan zijn (hij kan bijvoorbeeld wel de deur van een aanrechtkastje afnemen). De Raad stelt dan ook vast dat de constatering van de rechtbank, dat met betrekking tot het aspect knielen/hurken in de FML geen beperking is opgenomen, niet juist is.

De rechtbank heeft wel terecht geconstateerd dat met betrekking tot het aspect "zitten", zoals genoemd bij de onderdelen 1 en 2 van rubriek V, geen beperkingen zijn aangegeven. Daarbij is als toelichting gegeven dat betrokkene ongeveer twee uur achtereen kan zitten en tijdens het werk zo nodig gedurende vrijwel de gehele werkdag kan zitten (en bijvoorbeeld assemblagewerk, kassawerk en uitvoerend administratief werk kan verrichten). Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat hij daarin in die zin beperkt is, dat hij niet langer dan één uur achtereen kan zitten omdat dan zijn rechterbeen en -voet dik en pijnlijk zijn geworden. De Raad stelt evenwel vast dat noch uit het rapport van de verzekeringsarts (dat in de bezwaarfase is bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts), noch uit de door betrokkene in beroep in geding gebrachte medische informatie van zijn behandelaars blijkt dat betrokkene beperkingen heeft wat betreft zittend werk. Deze informatie bestaat uit een verklaring van de behandelend fysiotherapeut, van de chirurg die appellant aan zijn voet heeft geopereerd en van de door hem met betrekking tot de aanhoudende voetklachten geraadpleegde chirurgen in het Erasmus Medisch Centrum. Evenmin volgt uit het onderzoek dat in februari 2004 op verzoek van betrokkene - met het oog op een aanhangige letselschadezaak - is verricht door de orthopedisch chirurg M.M. Alvarez Ferrero, verbonden aan het Ziekenhuis Lievensberg te Bergen op Zoom, dat hij niet zou kunnen zitten overeenkomstig de normaalwaarde (de tijdsduur die door appellant wordt aangehouden bij normaal functioneren). Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank wat betreft het aspect "zitten" daarom ten onrechte geoordeeld dat appellant de belastbaarheid van betrokkene per 4 december 2002 heeft overschat.

Het vorenstaande betekent dat de grieven van appellant op zich slagen.

De Raad merkt evenwel op dat appellant in de loop van de procedure bij de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het besluit van 16 juli 2003 heeft gewijzigd. Bij brief van 19 september 2003 heeft appellant de rechtbank medegedeeld dat de bezwaararbeids-deskundige alsnog aanleiding heeft gezien de functie van aardappelsorteerder ongeschikt te achten vanwege de daaruit voortvloeiende belasting bij tillen, dragen, traplopen en klimmen. Voorts heeft appellant zich in de loop van de procedure in hoger beroep blijkens zijn brief van 13 januari 2005 op het standpunt gesteld dat tevens de aan het (inmiddels vernietigde) besluit van 16 juli 2003 ten grondslag gelegde functies van stikster en modinette ongeschikt moeten worden geacht vanwege de daarmee gepaard gaande belasting van de rechterenkel. Appellant heeft toegelicht dat ook dan drie functies resteren die reeds eerder geschikt waren bevonden en aan betrokkene waren voorgehouden, zodat het wegvallen van genoemde functies geen gevolg heeft voor de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Een en ander leidt de Raad tot het oordeel dat het besluit van 16 juli 2003 op zich terecht is vernietigd, zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft gehanteerd.

De Raad dient vervolgens te bezien of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van dit reeds vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand kunnen worden gelaten. Hij overweegt in dit verband het volgende.

Wat betreft de medische grondslag van de in geding zijnde beoordeling kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de benutbare functionele mogelijkheden van betrokkene per 4 december 2002, zoals deze zijn onderzocht en vastgesteld door de verzekeringsarts, zijn overschat. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat diens bevindingen zijn bevestigd in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. In beroep heeft betrokkene nadere informatie overgelegd van de behandelende sector, alsook van een nader door hem geraadpleegde orthopedisch chirurg zoals eerder genoemd. Het daarover door de bezwaarverzekeringsarts, nadat deze informatie haar was voorgelegd, gegeven oordeel, inhoudende dat in deze gegevens geen medische argumenten zijn te vinden die ertoe nopen om af te wijken van de eerdere bevindingen, is voldoende onderbouwd en berust op goede gronden.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat appellant aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk de functies van algemeen productiemedewerker (Sbc-code 272070), machinaal metaalbewerker (Sbc-code 264122) en bloemist/verspener (Sbc-code 111010) ten grondslag heeft gelegd. In de door appellant in hoger beroep ingediende nadere motivering van de bezwaararbeidsdeskundige waarom de belasting in deze functies de functionele mogelijkheden van appellant niet overschrijdt, ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de uiteindelijke selectie van de genoemde drie functies onjuist is. Daarmee is thans ook een voldoende arbeidskundige grondslag aanwezig voor de vaststelling dat betrokkene per 4 december 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was te achten.

De Raad is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 juli 2003 daarom geheel in stand kunnen worden gelaten.

Nu niet is gebleken van door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de Raad geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 juli 2003 geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.