Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
12-02-2007
Zaaknummer
05-5536 WW 05-5537 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Spaarloon en meeruren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5536 WW, 05/5537 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 juli 2005, 04/2936 en 05/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

2. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 8 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 7 september 2006 overgelegd het besluit van de Minister tot het verlenen van mandaat en volmacht aan het Uwv terzake van de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen sector Rijk.

Bij brief van 15 september 2006 heeft appellant op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006. Daartoe ambtshalve opgeroepen is appellant in persoon verschenen. Voor het Uwv en de Minister - eveneens daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is tot 1 juli 2002 werkzaam geweest bij het ministerie van Justitie als auditor.

Bij besluit van 30 september 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv mede namens de Minister (onder meer) ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen besluiten van 2 oktober 2003, waarbij het dagloon van de aan appellant met ingang van 15 juli 2002 toegekende uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) per die datum is herzien naar € 153,85, onderscheidenlijk het dagloon van de aan appellant met ingang van 15 juli 2002 toegekende bovenwettelijke werkloosheidsuitkering krachtens het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk per die datum herzien naar € 148,68 (BW-dagloon).

Bij deze herzieningen is buiten aanmerking gelaten het bedrag aan spaarloon dat in de maand februari 2002 is ingehouden op het salaris van appellant. Bij de herzieningen is er voorts vanuit gegaan dat appellant voor 36 uur was aangesteld bij het ministerie en de uren die hij meer werkte en waarvoor hij ook betaald kreeg als overwerk dient te worden aangemerkt.

Bij het bestreden besluit is met betrekking tot appellants stelling dat het ingehouden bedrag aan spaarloon betrekking had op 2001 overwogen dat de spaarloonregeling een regeling is waarmee belastingvoordeel wordt verkregen. Deze regeling kan niet met terugwerkende kracht over een ander jaar worden toegepast. De regeling is in 2002 toegepast en niet in 2001. Om deze reden wordt bij de vaststelling van het dagloon hiermee rekening gehouden. In het besluit is opgemerkt dat het maximale bedrag voor 2002 (€ 788,--) is gespaard en niet dat van 2001 (€ 787,76).

Met betrekking tot appellants stelling dat hij 40 uur per week werkte en de extra uren werden uitbetaald, is overwogen dat gewerkte overuren buiten beschouwing worden gelaten, tenzij de verplichting om meer dan de normale arbeidstijd te werken is opgenomen in de arbeidsovereenkomst of de CAO, dan wel het meer werken dan de normale arbeidstijd inherent is aan de functie. Aangezien niet is gebleken dat hiervan sprake was, zijn de extra gewerkte uren niet meegenomen bij de vaststelling van de daglonen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in het licht van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WW in samenhang met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder s, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, zoals deze bepaling destijds luidde, het standpunt van het Uwv en de Minister met betrekking tot het door appellant gespaarde bedrag volgens een spaarloonregeling onderschreven. Ook al moet worden aangenomen dat het spaarloon door een fout van zijn werkgever pas in 2002 is ingehouden, terwijl er feitelijk sprake is van een correctie van het spaarloon dat in 2001 had moeten worden ingehouden, kan zulks naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de daaraan door appellant verbonden conclusie, omdat het in het kader van een spaarloonregeling gespaarde bedrag als niet behorend tot het loon dient te worden beschouwd.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv en de Minister zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat zich in het geval van appellant geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 4a van de Regeling gelijkstelling niet gewerkte uren met gewerkte uren, Stcrt. 1987,45, bij welk besluit regels zijn gesteld om bij de berekening van het aantal arbeidsuren, uren waarin geen arbeid is verricht, gelijk te stellen met arbeidsuren, en uren, waarin arbeid is verricht, buiten beschouwing te laten. Op goede gronden is dan ook aangenomen dat de door appellant verrichte meeruren dienen te worden aangemerkt als overwerk die ingevolge artikel 1, derde lid, onder g, van de Dagloonregels invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid voor de dagloonvaststelling (Dagloonregels IWS) buiten beschouwing dienen te blijven.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en in beroep betrokken stellingen herhaald.

Met betrekking tot het door appellant in 2002 gespaarde bedrag in het kader van een spaarloonregeling ziet de Raad geen grond om daaromtrent anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Wat er zij van het door appellant gestelde, dit bedrag is in 2002 ingehouden en het fiscale voordeel is ook in 2002 genoten.

Met betrekking tot de door appellant gestelde meeruren die zijn uitbetaald, overweegt de Raad dat blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende salarisspecificatie van november 2002, waarop appellant in bezwaar ook heeft gewezen, er sprake is geweest van een nabetaling onder de titel “verrekening vakantie-uren”. Deze specificatie vermeldt - evenals andere zich onder de gedingstukken bevindende salarisspecificaties - een formele arbeidtijd van 36 uur. De Raad houdt het er dan ook voor dat de meeruren van appellant werden gecompenseerd door extra vakantieverlof. Evenbedoelde nabetaling ziet dan ook op niet-genoten vakantie. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder e, van de Dagloonregels IWS wordt niet geacht tot het loon te behoren een vergoeding voor niet-genoten vakantie. De Raad voegt hier nog aan toe dat de nabetaling in ieder geval niet ziet op een betaling van uren tot het verrichten waarvan appellant gehouden was - enig bewijs daarvoor ontbreekt -, dan wel op een betaling van uren die inherent moeten worden geacht aan de functie. Ook van dit laatste ontbreekt enige onderbouwing. Dit betekent dat, voor zover de nabetaling niet ziet op niet-genoten vakantieverlof, deze nabetaling niet anders gezien kan worden dan een betaling voor verricht overwerk, welke betaling bij de dagloonvaststelling buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad met de rechtbank, zij het op andere gronden, van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.