Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
12-02-2007
Zaaknummer
04-6242 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling arbeidsongeschiktheid. Er zijn geen redenen om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6242 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 oktober 2004, 04/542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Moor.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1949, is autogeenlasser geweest bij [werkgever]. In 1984 is hij wegens rugklachten uitgevallen en na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Laatstelijk ontving appellant een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Op 24 juli 2001 heeft appellant, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving, zich ziek heeft gemeld als gevolg van longklachten en psychische klachten. In verband hiermee is appellant op 21 juli 2003 onderzocht door de verzekeringsarts B.G.M. Simons. Nadat hij informatie had ingewonnen bij de behandelende sector is deze verzekeringsarts in zijn rapport van 5 augustus 2003 tot de conclusie gekomen dat de voor appellant op 10 mei 2002 vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) nog steeds van toepassing was. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige

G.J.M. Heemels op 10 oktober 2003 rapport uitgebracht, waarin hij tot de conclusie is gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen laatstelijk verrichte werk. Voorts heeft hij vastgesteld dat appellant nog steeds geschikt moet worden geacht voor de door de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld in zijn rapport van 17 mei 2002 geselecteerde functies. Op basis van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 25-35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 17 oktober 2003 meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar met ingang van 24 juli 2001 was toegenomen maar dat daarvan op 23 juli 2002 geen sprake meer was. Bij dit besluit is dan ook de WAO-uitkering met ingang van 23 juli 2002 ongewijzigd voortgezet.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij als gevolg van met name zijn psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.

In een op 29 maart 2004 uitgebracht rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M.H.J. Tjen het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven, waarna het Uwv bij besluit van 5 april 2004 het bezwaar van appellant ongegrond heeft verklaard.

Onder herhaling van zijn in bezwaar geuite grieven is appellant in beroep gekomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, heeft hij nog een verklaring d.d. 20 augustus 2003 van de psycholoog H. Lempens, verbonden aan het RIAGG, overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure. Daarbij heeft hij de Raad verzocht om een deskundige aan te wijzen.

Bij schrijven van 3 maart 2005 heeft het Uwv de Raad nog een rapport d.d. 18 februari 2005 van de voornoemde bezwaararbeidsdeskundige Heemels doen toekomen, waarin een nadere toelichting is gegeven op de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien het verzoek van appellant om een deskundige in te schakelen te honoreren.

Op grond van hun onderzoek hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat het op 10 mei 2002 vastgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds van toepassing is. Daarin zijn in verband met de klachten van appellant beperkingen opgenomen. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat de beperkingen zijn onderschat. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting stelt de Raad vast dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom de geselecteerde functies passend zijn geacht voor appellant, in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige Heemels. Naar het oordeel van de Raad zijn door hem met zijn rapport van

18 februari 2005 de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende gemotiveerd en is hiermee op adequate wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. Vastgesteld kan worden dat appellant geschikt moet worden geacht voor de voor hem geselecteerde functies, waarmee de schatting op goede gronden berust.

De Raad stelt vast dat pas in hoger beroep uiteindelijk het bestreden besluit van een toereikende en juiste motivering is voorzien. In verband hiermee dient het bestreden besluit te worden vernietigd maar kunnen tevens, gegeven het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- in eerste aanleg en op € 322,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,- te betalen door het Uitvoeringsintituut Werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.