Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
12-02-2007
Zaaknummer
005/173 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

005/173 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 november 2004, 04/317 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren [in] 1970, is bij besluit van 2 oktober 2002 met ingang van 2 mei 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij een afzonderlijk besluit van eveneens 2 oktober 2002 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat deze uitkering met ingang van 13 november 2002 wordt ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is geworden. Na 13 november 2002 heeft het Uwv echter abusievelijk de betaling van de uitkering voortgezet, hetgeen heeft geleid tot het besluit van 29 augustus 2003. Bij dit besluit heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 6052,29 (of € 8.653,58 inclusief de over 2003 afgedragen loonbelasting) teruggevorderd wegens te veel betaalde uitkering over de periode van 13 november 2002 tot 1 september 2003.

In bezwaar heeft appellante gewezen op haar nog steeds zorgwekkende geestelijke gesteldheid en haar lage inkomen, waarbij zij een aantal kopieën van salarisspecificaties heeft overgelegd.

Bij besluit van 31 december 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat in de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden geen dringende redenen zijn gelegen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO.

In hoger beroep heeft appellante onder meer gesteld dat een eventuele terugvordering een enorme financiële en geestelijke druk op haar legt, waardoor een onaanvaardbaar verhoogd risico ontstaat dat zij weer overspannen wordt.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij schrijven van 30 oktober 2006 nog nadere gedingstukken ingebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan, aldus het bepaalde in het vierde lid van artikel 57 van de WAO, het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Niet in geding is dat het Uwv het voormelde bedrag onverschuldigd heeft betaald. Het Uwv was derhalve verplicht om tot terugvordering over te gaan behoudens de aanwezigheid van dringende redenen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57 van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.

Dringende redenen in voormelde zin acht de Raad in het onderhavige geval niet aanwezig. De enkele omstandigheid da

t - naar appellante althans zelf stelt - de kans aanwezig is dat appellante als gevolg van de terugvordering wederom overspannen zal worden, is naar het oordeel van de Raad niet voldoende om te spreken van een bijzondere situatie. Ook de financiële gevolgen van de terugvordering hebben de Raad niet tot de conclusie kunnen brengen dat er sprake is van een bijzondere situatie die voor het Uwv aanleiding had moeten vormen om toepassing te geven aan het vierde lid van artikel 57 van de WAO. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige terug-vordering onaanvaardbare financiële gevolgen voor haar heeft. Ook anderszins is de Raad daarvan niet gebleken, waarbij de Raad mede in overweging heeft genomen dat het Uwv bij de invordering de wettelijk vastgestelde beslagvrije voet in acht dient te nemen en ter zitting van de rechtbank heeft aangegeven bij het vaststellen van de invorderingstermijnen rekening te zullen houden met de financiële positie van appellante.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte kan worden aangetast en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.