Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
05/4917 WWB + 05/4918 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhavingsverordening WWB deels onverbindend; conversie in beleid; beleid voor zover van belang rechtmatig, toetsing aan beleid; overeenkomstige toepassing art. 4:84 Awb; verwerping beroep op verjaring van recht tot terugvordering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Wet werk en bijstand 8a
Wet werk en bijstand 58
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 120 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
RSV 2007, 112 met annotatie van R. Stijnen
NJB 2007, 503
USZ 2007/80
JB 2007/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4917 WWB

05/4918 WWB

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Utrecht (hierna: appellant) en [appellante], wonende te Utrecht (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juni 2005, 04/1745 en 05/355 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong en het College door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

De Raad heeft het onderzoek heropend en daarbij aan het College enkele vragen gesteld, die het College bij brief van 25 augustus 2006 heeft beantwoord.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Aan appellanten is vanaf 1989 bijstand verleend, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB), naar de norm voor een gezin.

Blijkens rapporten van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht (hierna: Dienst) is in juli 2003 aan het licht gekomen dat appellant sinds 16 maart 1995 bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven met de bedrijfsomschrijving kleinhandel in lederen tassen en aanverwante artikelen. Vervolgens heeft de Dienst gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Uit de ontvangen gegevens blijkt dat appellant sinds 1 maart 1996 inkomsten heeft verworven uit handel in lederwaren op de “Zwarte Markt” te Beverwijk. In het jaar 2002 heeft hij aangifte gedaan van € 9.000,-- aan inkomsten. Bij de Dienst heeft appellant, voor zover hier van belang, alleen melding gemaakt van inkomsten uit markthandel gedurende de maanden mei en juni 1996, die met de bijstandsuitkering zijn verrekend. Daarna heeft appellant geen inkomsten meer opgegeven bij de Dienst.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 5 februari 2004, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2004, de bijstand van appellanten over de periode van 1 maart 1996 tot en met 31 december 2002 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2002 ten bedrage van € 42.555,67 van appellanten teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat niet is gebleken van omstandigheden om van terugvordering af te zien.

Bij besluit van 15 juni 2004, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2005, heeft het College het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op € 47.133,63.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 18 mei 2004 en 3 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben in hoger beroep - opnieuw - aangevoerd dat zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Het College was op de hoogte van de markthandel, die bij de aanvang ervan gemeld is en besproken met de bijstandsconsulent van de Dienst. Appellanten mochten er ook van uitgaan dat zij hun eventuele verdiensten niet meer hoefden op te geven op de maandelijkse inkomsten-formulieren. Uit mededelingen van medewerkers van de Dienst hebben zij afgeleid dat de Belastingdienst het College zou informeren over de omvang van de verdiensten. Verder is aangevoerd dat terugvordering hoe dan ook slechts mogelijk is over een periode van vijf jaar voorafgaande aan het (primaire) besluit van 5 februari 2004. Tevens achten zij het redelijk en billijk dat indien al wordt teruggevorderd, rekening dient te worden gehouden met de verwervingskosten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast - en tussen partijen is dit ook niet in geschil - dat appellanten geen opgave hebben gedaan van werkzaamheden en inkomsten van appellant na 1 juli 1996. Daarmee is gegeven dat zij de in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) neergelegde inlichtingenverplichting hebben geschonden. De stelling van appellanten dat aan hen is medegedeeld dat zij zelf (op de maandelijkse inkomsten-formulieren) geen opgave aan de Dienst hoefden te doen, vindt in de gedingstukken geen steun en is overigens ook niet aannemelijk. De Raad stelt tevens vast dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting vanaf 1 maart 1996 tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstandsuitkering van appellanten over de in geding zijnde periode met terugwerkende kracht te herzien. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

Artikel 6 van de op artikel 8a van de WWB berustende en door de raad van de gemeente Utrecht (hierna: gemeenteraad) vastgestelde Handhavingsverordening WWB luidt:

“1. Het college vordert de kosten van bijstand terug in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de wet zijn aangegeven voor zover zich daartegen geen andere wettelijke regeling verzet.

2. Het college kan afzien van terugvordering indien:

a. het terug te vorderen bedrag lager is dan een door of namens het college nader vast te stellen bedrag;

b. de vordering niet is ontstaan door het bij recidive niet nakomen van deinlichtingenplicht van artikel 17 van de wet; of

c. hiertoe een dringende reden aanwezig is.”.

De Raad stelt vast dat aldus door de gemeenteraad in de Handhavingsverordening WWB regels zijn gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in de artikel 58 en 59 van de WWB aan het College toegekende - discretionaire - bevoegdheid tot terugvordering en medeterugvordering van bijstand in de in die artikelen bedoelde gevallen. Daarmee heeft de gemeenteraad de in artikel 8a van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid overschreden. Blijkens de tekst van deze - bij amendement ingevoegde - bepaling en blijkens de toelichting bij dat amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 12, blz. 1) mag de desbetreffende verorde-ning slechts betrekking hebben op (uitgangspunten voor) het financiële beleid en het financiële be-heer bij de gemeente. Daaronder kan de inhoud van artikel 6 van de Handhavingsverordening WWB niet worden gebracht. De Raad acht in dit verband voorts van belang dat noch de tekst noch de toelichting enig aanknopingspunt bevat om te kunnen aannemen dat de wetgever heeft beoogd de gemeenteraad de bevoegdheid te geven door middel van de in artikel 8a van de WWB bedoelde verordening te interveniëren in de bij de artikelen 58 en 59 van de WWB aan het college van bur-gemeester en wethouders toegekende discretionaire bevoegdheid. Het voorgaande betekent dat ar-tikel 6 van de Handhavingsverordening WWB verbindende kracht mist.

Gelet op het feit dat de Handhavingsverordening WWB is vastgesteld op voorstel van het College en het College in de brief van 25 augustus 2006 ook heeft aangegeven overeenkomstig artikel 6 van de Handhavingsverordening WWB te handelen, ziet de Raad vervolgens aanleiding deze bepa-ling te beschouwen als de verwoording van - (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegd - beleid van het Col-lege, ter invulling van de in de artikelen 58 en 59 van de WWB aan het College toegekende discre-tionaire bevoegdheid.

Het College heeft in de brief van 25 augustus 2006 het begrip recidive toegelicht als “herhaling in die zin dat eerder een besluit tot terugvordering wegens het onvoldoende nakomen van de inlich-tingenplicht kenbaar is gemaakt en dat daarna de inlichtingenplicht opnieuw is geschonden, waar-door opnieuw een vordering is ontstaan”. Tevens heeft het College in die brief kenbaar gemaakt dat bij de uitleg van het begrip dringende reden aansluiting wordt gezocht bij de uitleg die in de rechtspraak van de Raad is gegeven aan het begrip dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de (me-de)terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in een situatie waarin - zoals in het geval van appellanten - geen sprake is van recidive, de grenzen van een redelijke beleidsbepa-ling niet te buiten. Daarbij heeft de Raad mede betrokken het gegeven dat de artikelen 58 en 59 van de WWB zelf geen (nadere) inhoudelijke normering van de daarbij toegekende bevoegdheden bevatten.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot - volledige - (mede)terugvordering van appellanten heeft besloten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet - ook - de Raad even-min een grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Het door appellanten gedane beroep op verjaring treft geen doel, reeds niet omdat ten tijde van het (primaire) besluit van 5 februari 2004 nog geen vijf jaren waren verstreken sinds het College be-kend was geworden met gegevens waaruit kon worden afgeleid dat ten behoeve van appellanten wellicht ten onrechte kosten van bijstand waren gemaakt.

De stelling van appellanten dat rekening zou moeten worden gehouden met de verwervingskosten treft evenmin doel, reeds niet omdat moet worden aangenomen dat deze zijn verdisconteerd in de bij de Belastingdienst aangegeven inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige.

De Raad zal, gelet op het voorgaande, de aangevallen uitspraak bevestigen.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga.

PR/310107