Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
05-99 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Er resteren slechts twee functiebestandscodes, hetgeen gelet op het vigerende Schattingsbesluit een ontoereikend aantal is om de schatting op te kunnen baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/99 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2004, 03/2236 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. van den Hurk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift en bij brief van 11 februari 2005 zijn enige medische rapporten ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van 24 februari 2005 van de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde

mr. Van den Hurk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in 1986 zijn werkzaamheden van tectyleerder vanwege rug-, nek- en psychische klachten gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan hem met ingang van 26 november 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een aantal herbeoordelingen, leidend tot indeling in verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen, heeft appellant met ingang van 7 juli 2000 weer een WAO-uitkering ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%. Bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 2 april 2003 heeft het Uwv zijn besluit van 12 maart 2002 gehandhaafd, waarbij met ingang van 2 mei 2002 deze uitkering is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts ter gelegenheid van de hoorzitting appellant naar zijn lichamelijke klachten heeft gevraagd en met betrekking tot de rug- en nekklachten van appellant onderzoek heeft verricht en op basis daarvan uiteindelijk heeft geconcludeerd dat het vastgestelde belastbaarheidspatroon niet behoefde te worden aangepast.

Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling overwogen dat gesteld noch gebleken was dat deze onzorgvuldig of onrechtmatig tot stand zou zijn gekomen.

Op grond hiervan heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de door hem ingezonden medische gegevens van de behandelend reumatologen dr. J.A.C. Goezinne-Oud en Ph. Remans, alsmede een verslag van röntgenonderzoek van 22 oktober 2003, doen aanvoeren dat, anders dan de verzekeringsarts had gedaan, er toch aanleiding bestaat aan het gebruik van de nek beperkingen te stellen. Van de vijf door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies dienen in verband daarmee drie te vervallen, omdat daarin de nek intensief wordt belast.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar het in rubriek I genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts geen redenen aanwezig geacht om appellant meer beperkt te achten dan bij het bestreden besluit was aangenomen. In dit rapport wordt gesteld dat uit de ingezonden informatie niet blijkt dat sprake is van ernstige degeneratieve afwijkingen aan de nek anders dan passend bij de leeftijd. Voorts is gesteld dat in het zogeheten FIS-scoreformulier van 3 oktober 2001 bij klimmen en klauteren, gebogen werken, bovenhands werken, tillen en dragen beperkingen zijn aangehouden bij handelingen en houdingen die de nek zouden kunnen belasten. Deze beperkingen sluiten aan bij de diagnose en het klinisch beeld.

De Raad overweegt met betrekking tot dit commentaar dat daaraan valt te ontlenen dat de bij appellant door de behandelende specialisten geconstateerde nekafwijkingen van degeneratieve aard zijn, passend bij de leeftijd. Daarin ligt de suggestie besloten dat de bezwaarverzekeringsarts van oordeel is dat bij het vaststellen van de beperkingen terecht geen beperking aan de nek is aanvaard. De enkele stelling dat afwijkingen van degeneratieve aard zijn betekent evenwel niet dat dit zonder meer meebrengt dat om die reden geen medische beperking kan worden gesteld.

Voorts overweegt de Raad met betrekking tot dit commentaar dat daaruit tevens kan worden afgeleid dat de nek al wordt ontzien door de beperkingen die met betrekking tot andere handelingen en houdingen zijn aanvaard. Die stelling valt evenwel niet te rijmen met de daaraan voorafgaande stelling dat een nekbeperking niet noodzakelijk is, omdat er sprake is van (kennelijk niet tot een nekbeperking aanleiding gevende) degeneratieve afwijkingen.

De twijfel of met betrekking tot het gebruik van de nek door de verzekeringsarts terecht is aangenomen dat daarvoor geen beperking bestaat, wordt verder gevoed door de volgende omstandigheden.

In het rapport van 7 juli 2000 heeft de verzekeringsarts P. Brock vermeld dat appellant in 1986 met onder meer nekklachten uitviel en daarvoor onder behandeling is geweest bij een neuroloog. Bij zijn onderzoek heeft deze arts buiten wat gevoeligheid aan de nek daaraan geen beperkingen geconstateerd. Tijdens de op 16 augustus 2002 gehouden hoorzitting in de bezwaarfase van de besluitvorming, heeft de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever, naar aan het zich onder de gedingstukken bevindende verslag van die hoorzitting valt te ontlenen, met betrekking tot de rug- en nekklachten bij appellant lichamelijk onderzoek gedaan. In het rapport van 2 februari 2003 van de bezwaarverzekeringsarts wordt daaromtrent gemeld dat appellant een normaal looppatroon heeft waaruit niet valt af te leiden dat hij ernstige fysieke beperkingen heeft, dat de rug nu lekker soepel is en dat er geen bewegingsbeperkingen zijn.

In haar rapport vermeldt de bezwaarverzekeringsarts dat de verzekeringsarts in zijn rapportage weliswaar niet diep ingegaan is op de rug-, nek-, schouder- en knieklachten van appellant, maar dat hij desalniettemin appellant wel fors beperkt heeft geacht ten aanzien van been-, rug-, nek-, en schouder/armbelasting. Het belastbaarheidspatroon behoeft wat dat betreft geen bijstelling.

Voormelde conclusie acht de Raad onbegrijpelijk bij het licht van de omstandigheid dat in het voor appellant geldende door de verzekeringsarts opgestelde FIS-scoreformulier expliciet blijkt dat het gebruik van de nek niet beperkt wordt geacht. Daarenboven acht de Raad deze conclusie niet aanvaardbaar, nu deze is getrokken op basis van een medisch onderzoek dat niet aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan. Dit onderzoek heeft immers plaatsgevonden tijdens de hoorzitting in aanwezigheid van derden, zijnde niet medici. Aannemende dat appellant zich vanwege die aanwezigheid van derden voor dit onderzoek niet heeft behoeven te ontkleden, is bovendien niet te begrijpen hoe de bezwaarverzekeringsarts heeft kunnen concluderen dat de rug soepel was en er geen bewegingsbeperkingen waren.

Gelet op de hiervoor overwogene met betrekking tot een mogelijk aanwezige nekbeperking bij appellant, is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van drie van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, te weten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van assemblagemedewerker (Fb-code 8364), printplatenmonteur (Fb-code 8538) en kunststofbewerker (Fb-code 9019), waarin, naar tussen partijen ook niet in geschil is, sprake is van intensief gebruik van de nek, te zeer met twijfel omgeven is om deze als grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsschatting te kunnen laten gelden.

Door het vervallen van deze functies resteren slechts twee functiebestandscodes, hetgeen gelet op het vigerende Schattingsbesluit een ontoereikend aantal is om de schatting op te kunnen baseren.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat met vernietiging van de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dit besluit moet worden vernietigd. Het Uwv zal op het bezwaar van appellant een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Ten aanzien van de door appellant gevraagde schadevergoeding overweegt de Raad het volgende.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade, die overigens door appellant niet nader is toegelicht, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden.

Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.