Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
04-5542 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting met behulp van CBBS. In de (hoger) beroepsfase is uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5542 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2004, 03/1833 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [werkgeefster] (hierna: werkgeefster).

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de werkgeefster de Raad doen weten dat zij als partij aan het geding in hoger beroep wenst deel te nemen. Vervolgens heeft appellant zijn op 9 november 2004 gedateerde toestemming gegeven inhoudende dat zijn medische gegevens ter kennis van de werkgeefster worden gebracht.

De werkgeefster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om, naar aanleiding van het door appellant ingestelde hoger beroep, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

Het Uwv heeft op 8 december 2004 een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv op 21 december 2005 een nadere toelichting verstrekt en nadere stukken overgelegd. Bij brief van 20 november 2006 heeft het Uwv nog een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 9 november 2006 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006.

Partijen zijn – het Uwv met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij zich op 5 november 2001 ziek meldde met rugklachten. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd is appellant op

8 augustus 2002 onderzocht door de verzekeringsarts C. Nieuwenhuizen. Blijkens het hiervan opgemaakte rapport van dezelfde datum stelde Nieuwenhuizen de diagnose radiculair syndroom en gaf hij aan dat er gematigde rugbeperkingen zijn waardoor appellant zwaar rugbelastende arbeid niet duurzaam kan volhouden, maar rugsparende arbeid wel. Nieuwenhuizen legde zijn bevindingen vast in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst van 8 augustus 2002. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 28 augustus 2002 heeft de arbeidsdeskundige W.J. Vos in een rapport van 5 september 2002 bij functieselectie een verlies aan verdiencapaciteit berekend dat na het einde van de wachttijd indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% rechtvaardigde. Overeenkomstig deze berekening heeft het Uwv vervolgens bij het primaire besluit van 11 oktober 2002 aan appellant met ingang van 4 november 2002 een WAO-uitkering toegekend.

In de bezwaarprocedure heeft Kokenberg blijkens zijn rapport van 21 februari 2003 na de hoorzitting op 20 (lees: 19) februari 2003 een aanvullend medisch onderzoek verricht ten aanzien van de rug, waarbij zijn conclusie was dat er een matige bewegingsbeperking in alle richtingen was. Kokenberg zag, gelet op zijn onderzoek, geen aanleiding te twijfelen aan de oordeelsvorming van Nieuwenhuizen. Daarbij nam Kokenberg in aanmerking dat volgens appellant tussen het onderzoek van Nieuwenhuizen en dat van hemzelf de klachten niet duidelijk veranderd waren. Volgens Kokenberg was er, gezien zijn onderzoek, voorts geen aanleiding om, naar aanleiding van de mededeling van de gemachtigde van appellant ter hoorzitting dat inmiddels bij appellant een hernia was vastgesteld, nadere informatie bij de behandelend sector op te vragen omdat wat betreft het vaststellen van beperkingen de diagnose hernia in functionele zin niet veel anders is dan een radiculair syndroom. Vervolgens handhaafde het Uwv het primaire besluit bij zijn besluit van 27 mei 2003.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak – onder onderschrijving van de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 27 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) – het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in de eerste plaats verwezen naar de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden, welke er op neerkomen dat hij het niet eens is met de vastgestelde beperkingen en de aangenomen geschiktheid van de geduide functies. Daaraan heeft de gemachtigde toegevoegd dat het feit dat na het primaire besluit de diagnose hernia is gesteld aanleiding had moeten geven voor een nader medisch en arbeidskundig onderzoek naar de omvang van de rugklachten van appellant.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden heeft de Raad in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat het onderzoek van Nieuwenhuizen en Kokenberg, die als hiervoor weergegeven ook zijnerzijds appellant in verband met zijn rugklachten nader medisch heeft onderzocht en voorts met de gemachtigde op de hoorzitting afsprak dat hij afhankelijk van het resultaat van dit nader onderzoek nog informatie bij de behandelend sector zou opvragen, naar zijn oordeel voldoende zorgvuldig is geweest. Anders dan de gemachtigde van appellant in het aanvullend bezwaarschrift had aangegeven, heeft hij ook zelf geen nadere medische informatie uit de behandelend sector meer overgelegd die een ander licht zou kunnen werpen op de op de datum in geding in aanmerking te nemen beperkingen. De Raad tekent hierbij overigens nog aan dat de gemachtigde ter hoorzitting op 19 februari 2003 stelde dat bij een orthopedisch onderzoek een hernia was vastgesteld, terwijl hij in het aanvullend beroepschrift in eerste aanleg aangaf dat appellant hem op 17 juli 2003 meedeelde dat drie weken daarvoor was vastgesteld dat appellant lijdende was (geweest) aan een hernia.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad in het licht van zijn uitspraken ten aanzien van de toepassing van het zogenoemde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.v.) dat hiervoor eerst in beroep en in hoger beroep een nadere, en naar het oordeel van de Raad genoegzame, onderbouwing is gegeven. Daarbij tekent de Raad nog aan dat blijkens het in beroep door het Uwv overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl van 11 februari 2004 uiteindelijk aan de onderhavige schatting ten grondslag worden gelegd de functies sorteerder/controleur (SBC-code 111340), produktie medewerker industrie (SBC-code 111180) en confectie meubel/dekkleden naaister (SBC-code 272040). Volgens Van Zijl bedraagt het verlies aan verdiencapaciteit alsdan 60,41%, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding ongewijzigd 55 tot 65 % blijft.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s-Raads oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand worden gelaten.

Het vorenstaande leidt er toe dat ook de aangevallen uitspraak niet kan worden gehandhaafd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en wat betreft de proceskosten in hoger beroep aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) C.D.A. Bos.