Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
04-7220 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet alle aspecten van de functiebelasting zijn gemotiveerd in beroep. In hoger beroep is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts het aspect Hoofdbewegingen in de functie elektronicamonteur voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2004, 03/326 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 6 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is op 5 juni 2001 uitgevallen voor zijn werk als koerier wegens nekklachten, duizeligheid en hoofdpijn na een auto-ongeluk. Bij besluit van 5 augustus 2002 heeft appellant hem met ingang van 4 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 18 december 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt.

De rechtbank heeft de medische beoordeling en de vaststelling van de belastbaarheid van appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts onderschreven. De vernietiging van het bestreden besluit berust op het oordeel van de rechtbank dat wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak niet is voldaan aan de vereisten die de rechtbank eerder in een uitspraak van 4 juni 2004 heeft geformuleerd. Met name kan de rechtbank uit de door appellant geproduceerde stukken en hetgeen zijn gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht niet met voldoende zekerheid afleiden dat in het onderhavige geval alle signaleringen beschreven en op adequate wijze gemotiveerd goedgekeurd zijn. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat het bestreden besluit niet op voldoende zorgvuldige wijze is voorbereid en een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over het arbeidskundige aspect van de schatting. Appellant is van mening dat hij heeft voldaan aan de eisen aan de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies die zijn gesteld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.a.). Appellant heeft hierbij gewezen op het overleg dat de arbeidsdeskundige op 25 juli 2002 met de verzekeringsarts heeft gevoerd en op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 oktober 2004 dat in de beroepsprocedure is overgelegd. Voorts zijn in hoger beroep een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 april 2005 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 april 2005 overgelegd.

Betrokkene heeft in reactie hierop betoogd dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen en dat uit de stukken niet voldoende duidelijk wordt op grond waarvan hij in staat zou zijn om deze functies te verrichten, gelet op de beperkingen in verband met zijn nekletsel. In het bijzonder heeft hij gewezen op het aspect hoofdbewegingen in de functie elektronicamonteur (SBC 267040), buigen in de functie inpakker (SBC 111190), tillen in de functie productiemedewerker industrie (SBC 111180) en tillen en bovenhandse werkzaamheden in de functie samensteller metaalwaren (SBC 264140).

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit is genomen op basis van een arbeidskundige beoordeling met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), zoals dat destijds was ingericht. In bovenvermelde uitspraken van 9 november 2004 heeft de Raad een aantal kenmerken van dit systeem aangegeven, als gevolg waarvan het zich voor anderen dan functionarissen van het Uwv niet op relatief eenvoudige wijze laat controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft. De Raad heeft in voormelde uitspraken overwogen dat ter compensatie van onder meer deze onvolkomenheden van het CBBS en ter voorkoming dat het -voor 1 juli 2005 genomen- bestreden besluit wegens artikel 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd, hoge(re) eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering in het bestreden besluit van de in een concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten.

In de onderhavige zaak was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de motivering van de vraag waarom de geselecteerde functies voor betrokkene passend zijn, neergelegd in het document Overleg VA-AD Afwijkende functiebelasting, dat een weergave bevat van het overleg dat hierover op 25 juli 2002 tussen de arbeidskundige en de verzekeringsarts is gevoerd. Appellant bestrijdt niet dat deze motivering niet voldoet aan de eisen die daaraan in voormelde uitspraken van de Raad worden gesteld. Ter zitting heeft appellant gesteld dat aan die eisen wèl is voldaan in het arbeidskundige rapport van 6 oktober 2004 dat in beroep is overgelegd.

De Raad is van oordeel dat in dit rapport ten aanzien van de meeste aspecten van de functiebelasting voldoende wordt gemotiveerd waarom betrokkene daartoe in staat is. Dat geldt echter niet voor het belastingaspect Hoofdbewegingen in de functie elektronicamonteur (SBC 267040). In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige 21 april 2005 wordt hierover gesteld dat bij het testen van displays (twee uur per dag) 30 maal hoofdbewegingen over 30° nodig zijn. Dit zijn kleine hoofdbewegingen, gedurende een kwart van de dag, in een lage frequentie, hetgeen naar het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige niet strijdig is met de beperkingen op dit aspect (maximale hoofdbewegingen zijn bij de anteflexie/retroflexie 45° op de borst of 45° naar boven kijken, lateroflexie 45° naar links en naar rechts en een rotatie van 60° naar links of rechts).

De Raad stelt vast dat uit het rapport niet blijkt dat de bezwaararbeidsdeskundige overleg heeft gevoerd met de (bezwaar)verzekeringsarts. Daartoe bestond ten aanzien van dit belastingaspect wel aanleiding. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de nekklachten op de voorgrond staan en dat er afwijkingen in de nekfunctie zijn. In de Functionele Mogelijkheden Lijst is bij het aspect Hoofdbewegingen maken aangegeven: beperkt, kan het hoofd beperkt bewegen. Een bepaalde frequentie of een bepaald aantal graden is daarbij niet vermeld. Ook uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van november/december 2002, die de conclusies van de verzekeringsarts heeft onderschreven, valt dit niet op te maken. Gelet hierop had de bezwaararbeidskundige over dit aspect de (bezwaar)verzekeringsarts moeten raadplegen alvorens tot een oordeel te komen. Nu dit ten tijde van het opstellen van het rapport van 6 oktober 2004 niet was gebeurd, voldeed de motivering van de passendheid van deze functie niet aan de eisen die daaraan blijkens ’s Raads uitspraken van 9 november 2004 gesteld moeten worden.

In hoger beroep heeft appellant voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 april 2005 overgelegd, waarin deze heeft gemotiveerd waarom het bewegen van het hoofd in deze frequentie en deze hoek voor betrokkene niet problematisch is. De Raad acht die motivering voldoende.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft vernietigd. Nu het bestreden besluit is genomen voor 1 juli 2005 en in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten kunnen worden. Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Er is geen aanleiding van appellant griffierecht te heffen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en E. Dijt en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) M.C.T.M. Sonderegger