Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
06-312 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering. Vergoedingen voor deelname aan geneesmiddelenonderzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 27
Algemene bijstandswet 43
Algemene bijstandswet 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/312 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 december 2005, 04/1042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 december 2006. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Uit informatie van de Belastingdienst en ABG Projectwerving is gebleken dat appellante in de periode van 13 augustus 2000 tot en met 7 maart 2003 heeft deelgenomen aan een geneesmiddelenonderzoek bij Pharma Bio-Research te Zuidlaren en daarvoor vergoedingen heeft ontvangen. Van deze vergoedingen heeft appellante geen melding gemaakt bij het College.

Het College heeft daarin aanleiding gevonden bij besluit van 16 maart 2004 de bijstand over genoemde periode met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) te herzien en alsnog - onder toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) - gewijzigd vast te stellen door de ontvangen vergoedingen over die gehele periode “uit te smeren”. Bij dat besluit is tevens een bedrag van € 8.208,91 van appellante teruggevorderd wegens teveel verleende bijstand.

Bij besluit van 7 september 2004 heeft het College het tegen het besluit van 16 maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 september 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat de aan appellante verstrekte vergoedingen moeten worden gezien als een (immateriële) schadevergoeding voor het zich ten behoeve van de maatschappij “als proefkonijn” blootstellen aan de behandeling en gevolgen van medisch onderzoek en dat de ontvangst van die vergoedingen niet behoeft te worden gemeld omdat dergelijke vergoedingen niet van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Ook de Raad is van oordeel dat de door appellante over de periode van 13 augustus 2000 tot en met 7 maart 2003 ontvangen vergoedingen voor deelname aan het bovenvermelde geneesmiddelenonderzoek naar hun aard als inkomsten in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw moeten worden aangemerkt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de vergoedingen in de kern een tegenprestatie betreffen voor het regelmatig verrichten van diensten op basis van eerder gemaakte afspraken. Anders dan namens appellante is betoogd kunnen dergelijke vergoedingen niet worden aangemerkt als, of op één lijn gesteld worden met, vergoedingen voor geleden (immateriële) schade. Voor vrijlating van deze middelen ingevolge artikel 43, tweede lid, aanhef en onder k, van de Abw bestaat derhalve geen grond.

De Raad is voorts van oordeel dat het College vanwege het patroon en de hoogte van de inkomensverwerving bevoegd was de bijstand achteraf over een langere periode dan (telkens) over een kalendermaand vast te stellen. De Raad stelt overigens vast dat appellante daardoor zeker niet tekort is gedaan. Aldus heeft zij immers recht op meer bijstand behouden dan het geval zou zijn geweest indien de inkomsten strikt aan de betreffende kalendermaanden zouden zijn toegerekend.

Aangezien vaststaat dat appellante, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting van de ontvangen vergoedingen niet onverwijld mededeling aan het College heeft gedaan, was het College bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot herziening van de bijstand over te gaan. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot herziening gebruik heeft kunnen maken.

In het voorgaande ligt besloten dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was de teveel verleende bijstand terug te vorderen. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Palmboom.

RB1101