Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
06-495 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting: geen melding dat voor de huur van het atelier maandelijks een bijdrage van de moeder wordt ontvangen. Recht op bijstand kan worden vastgesteld. Middelen.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Algemene bijstandswet 47
Algemene bijstandswet 65
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 32
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/495 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2005, 04/6071 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 december 2006. Partijen, waarvan appellante met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1996 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 1 juni 2000 op de grond dat zij geen melding heeft gemaakt van het feit dat zij een atelier huurt en dat zij voor de huur daarvan maandelijks een bijdrage van haar moeder heeft ontvangen.

Bij besluit van 28 oktober 2004 is het daartegen gerichte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat aan de intrekking ten grondslag is gelegd dat als gevolg van het niet-nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen en voorts dat de ingangsdatum van de intrekking nader op 1 september 2000 is bepaald. Daarbij heeft het College tevens overwogen dat het huren van een atelier op zich geen relevant gegeven vormt voor de vaststelling van het recht op bijstand en dat van inkomsten uit verkoop van kunst geen begin van bewijs aanwezig is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 28 oktober 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante vanaf 1 september 2000 maandelijks van haar moeder een bijdrage in de kosten van de huur van atelierruimte heeft ontvangen. Gelet op de aard en het periodieke karakter daarvan moet die bijdrage als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 32, eerste lid, van de WWB worden aangemerkt. Door van deze inkomsten geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.

Het College kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat als gevolg van het - in zoverre - niet nakomen van de inlichtingenplicht het (totale) recht op bijstand niet is vast te stellen. Als onweersproken gesteld staat immers genoegzaam vast dat de bijdrage van de moeder van appellante (“als voorschot op de erfenis”) slechts zag op betaling van de huur van atelierruimte en dat deze bijdrage laatstelijk maximaal € 300,-- per maand heeft bedragen. Van andere in aanmerking te nemen middelen is, blijkens het besluit op bezwaar, ook volgens het College niet gebleken. Onder die omstandigheden gaat het te ver om de verleende bijstand in te trekken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen. Hoe dan ook bestond er voor appellante immers, minst genomen, aanspraak op aanvullende bijstand. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 28 oktober 2004 vernietigen wegens een ondeugdelijke motivering en de in aanmerking te nemen middelen in redelijkheid bepalen op € 300,-- per maand. De Raad ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding dit bedrag over de betreffende periode nog nader te differentiëren nu dit bedrag enerzijds niet is betwist, en ook overigens niet onaannemelijk voorkomt, en anderzijds appellante niet nader heeft geadstrueerd dat de maandelijkse bijdrage soms substantieel lager was.

Dit betekent dat het College ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB en met inachtneming van het voorgaande bevoegd was over te gaan tot herziening van de bijstand. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik zou kunnen maken van de bevoegdheid tot herziening van de bijstandsuitkering van appellante.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 oktober 2004;

Bepaalt dat de bijstand ingaande 1 september 2000 wordt herzien waarbij de in aanmerking te nemen eigen middelen worden bepaald op € 300,-- per maand;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Palmboom.

RB1101