Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
05-688 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk hoger beroep. Vervallen van relevant procesbelang. Geen beoordeling meer van vordering tot rentevergoeding en schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/688 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 december 2004, 03/1818 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 3 februari 2005 hoger beroep ingesteld.

De gronden van het hoger beroep zijn uiteengezet bij aanvullend beroepschrift van

31 maart 2005.

Bij schrijven van 5 september 2005 is namens appellante meegedeeld dat het Uwv inmiddels ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nadere beslissing, gedateerd

26 juli 2005, heeft genomen, strekkende tot vaststelling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 oktober 2000 op 25 tot 35%, met welk besluit appellante zich kan verenigen, maar is tevens naar voren gebracht dat - en waarom - de zaak daarmee nog niet geheel is opgelost.

Bij brieven van 27 september 2005 heeft de griffier van de Raad aan partijen doen weten vooralsnog te hebben besloten het nadere besluit van 26 juli 2005 niet mee te nemen bij de behandeling van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De in dit geding aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, voor zover van belang voor de oordeelsvorming van de Raad, laten zich als volgt weergeven.

Bij besluit van 13 december 2000 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 1 oktober 2000 ingetrokken, op de grond dat per laatstgenoemde datum de mate van haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 21 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 13 december 2000 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 oktober 2000 vastgesteld op

15 tot 25%.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante doen aanvoeren dat bij de vaststelling van haar maatmaninkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WAO, en dat een wel juiste berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid uitkomt op

25 tot 35%.

De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in de door haar voorgestane toepassing van artikel 21, derde lid, van de WAO, maar heeft via een andere insteek, te weten de redenering dat appellante haar oorspronkelijke werkzaamheden kwalitatief heeft uitgebreid in verband waarmee sprake is van een zogeheten ontwikkeling van de maatman, geoordeeld dat appellante, als door haar bepleit, per de datum in geding dient te worden ingedeeld in de klasse 25 tot 35%. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Bij aanvullend beroepschrift van 31 maart 2005 is namens appellante naar voren gebracht dat zij zich geheel kan verenigen met het in de aangevallen uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank dat zij ingedeeld moet worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%, maar dat zij zelf in hoger beroep komt tegen die uitspraak voor het geval het Uwv, dat bij sauverend beroepschrift van 1 februari 2005 hoger beroep had ingesteld, dat hoger beroep doorzet. Als nadere toelichting is aangevoerd dat de rechtbank de argumenten van appellante - de Raad begrijpt: de voorgestane toepassing van artikel 21, derde lid, van de WAO - expliciet heeft gepasseerd en zij die argumenten in hoger beroep aan de Raad wenst voor te leggen voor het geval de Raad de redenering van de rechtbank - met betrekking tot de ontwikkeling van de maatman - niet zou volgen. Verzocht is de uitspraak van de rechtbank te bevestigen, zonodig onder verbetering of aanvulling van gronden.

Bij uitspraak van 27 april 2005 heeft de Raad het hoger beroep van het Uwv

niet-ontvankelijk verklaard, om reden dat het Uwv tot tweemaal toe de gestelde termijn om de gronden van het hoger beroep in te dienen ongebruikt voorbij heeft laten gaan, terwijl niet is gebleken van redenen die zouden kunnen dienen tot verontschuldiging van dit verzuim.

Bij brief van 5 september 2005 heeft appellante meegedeeld dat zij het geheel eens is met het inmiddels door het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 juli 2005, strekkende tot indeling van appellante per 1 oktober 2000 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Zij heeft evenwel tevens verzocht om het hoger beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht te achten tegen dit nadere besluit, aangezien zij de opvatting is toegedaan dat de zaak nog niet geheel is opgelost. In de eerste plaats is er nog geen voorziening getroffen voor de geleden schade als gevolg van de te late betaling, in de tweede plaats zijn er nog de kosten van rechtsbijstand in de lopende procedure, en ten slotte maakt appellante aanspraak op een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van een bedrag tussen

€ 5000,-- en € 6000,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk is te achten.

De Raad overweegt daartoe dat het hoger beroep van appellante, blijkens het gestelde in het aanvullende beroepschrift van 31 maart 2005, met zoveel woorden uitsluitend is ingesteld voor het geval het Uwv zijn hoger beroep zou doorzetten, en als uitsluitende bedoeling had om de eigen zienswijze inzake de bepaling van de maatman aan de Raad voor te leggen voor het geval de Raad het, bij zijn beoordeling van het hoger beroep van het Uwv, niet eens zou zijn met de door de rechtbank ter zake van de maatmankwestie gevolgde benadering.

Gelet op dit strikt voorwaardelijke karakter van het hoger beroep van appellante en mede in aanmerking genomen de daarmee blijkens de verstrekte toelichting tevens aangebrachte uitdrukkelijke beperking van de omvang van het hoger beroep tot de inhoudelijke kwestie van de maatmanbepaling en de mede daarop gebaseerde berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, moet worden vastgesteld dat, met de niet-ontvankelijkverklaring door de Raad bij zijn uitspraak van 27 april 2005 van het hoger beroep van het Uwv, aan het hoger beroep van appellante het belang is komen te ontvallen. De door appellante gestelde voorwaarde dat het hoger beroep van het Uwv zou worden doorgezet is immers niet vervuld, terwijl voorts, blijkens de expliciete onderschrijving door appellante van het oordeel van de rechtbank inzake haar mate van arbeidsongeschiktheid en van het met dat oordeel in lijn zijnde uitvoeringsbesluit van

26 juli 2005, geen door de Raad te beoordelen inhoudelijke grieven resteren.

Nu het hoger beroep aldus wegens het komen te ontbreken van een relevant procesbelang niet-ontvankelijk is te achten, komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de hiervoor vermelde vorderingen van appellante tot vergoeding van wettelijke rente en immateriële schade. Met betrekking tot de wettelijke rente merkt de Raad daarbij nog op dat, gegeven de - expliciet - beperkte strekking en omvang van het hoger beroep van appellante, de omstandigheid dat de rechtbank geen overwegingen heeft gewijd aan de reeds in beroep ingestelde vordering van appellante tot vergoeding van wettelijke rente, niet kan afdoen aan het hiervoor vermelde oordeel van de Raad.

Tot slot overweegt de Raad dat er geen termen zijn voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.