Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
04-6507 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6507 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 oktober 2004, 04/439 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H. Vader, advocaat te Oost-Souburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 17 november 2006. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mw. drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren op 12 maart 1955, is werkzaam geweest als transporteur, en is op

20 april 1997 uitgevallen met diverse klachten. Na afloop van de wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts W. Raad appellant op

19 februari 2004 onderzocht. De beperkingen van appellant heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een (kritische) functionele mogelijkhedenlijst.

Blijkens zijn rapport van 22 maart 2004 is de arbeidsdeskundige C.L.P. Vermeulen van mening dat appellant zijn vroegere werkzaamheden niet meer kan verrichten, maar nog wel een aantal andere functies. Op basis van de loonwaarde van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 49,6%.

Bij primair besluit van 24 maart 2004 heeft het Uwv op basis van deze beoordeling de WAO-uitkering van appellant met ingang van 24 mei 2004 herzien, en vanaf dat moment berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

In bezwaar heeft appellant onder meer doen aanvoeren dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat, dat zijn beperkingen de afgelopen tijd juist zijn toegenomen, dat onvoldoende medisch onderzoek is verricht en dat er ten onrechte geen recente informatie is opgevraagd bij zijn orthopaedisch chirurg.

De bezwaarverzekeringsarts J.A.C. de Bekker onderschrijft blijkens zijn rapport van

1 juni 2004 de conclusies van de verzekeringsarts Raad, en is het eens met de voor appellant aangenomen beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij deze beoordeling o.a. schriftelijke informatie betrokken van de behandelend orthopaedisch chirurg van appellant, P. Klop.

In overeenstemming met deze beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 2 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant onder verwijzing naar zijn grieven in bezwaar, aangevoerd dat hij al langer ook psychische problemen heeft, en dat het Uwv ten onrechte geen deugdelijk onderzoek naar de daaruit voortvloeiende beperkingen heeft ingesteld. De vier geselecteerde functies zijn voor hem om diverse redenen niet geschikt, en het Uwv heeft nagelaten rekening te houden met het feit dat hij met twee krukken loopt.

Bij rapportage van 27 juli 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom een nadere toelichting gegeven op de belasting van de geselecteerde functies in verhouding tot de belastbaarheid van appellant.

De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte is nagelaten onderzoek te doen naar zijn rugklachten en zijn psychische klachten en voorts - onder verwijzing naar zijn grieven in beroep - dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank van mening dat de medische beperkingen van appellant door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts niet zijn onderschat.

De verzekeringsartsen hebben psychische beperkingen opgenomen in die zin, dat appellant niet in staat wordt geacht stressvolle arbeid te verrichten. Nu appellant zelf terzake geen nadere informatie heeft overgelegd en niet gebleken is dat hij voor die klachten wordt behandeld, hebben de verzekeringsartsen naar het oordeel van de Raad in voldoende mate rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellant.

Blijkens de rapportages van de verzekeringsartsen is de informatie van de orthopaedisch chirurg P.H.J. Klok bij de beoordeling betrokken. Weliswaar is na de tweede knieoperatie niet opnieuw informatie opgevraagd, maar er zijn aanmerkelijke beperkingen voor appellant opgenomen, waaronder forse beperkingen voor kniebelastende arbeid. Ook is er rekening mee gehouden dat hij alleen met krukken kan lopen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting overweegt de Raad het volgende. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in eerste aanleg een toelichting gegeven op de belasting van de geselecteerde functies flexoperator, monteur en stikster. Hij heeft in het licht van de beperkingen van appellant de diverse onderdelen van de functies besproken, en is met name ingegaan op de bezwaren die appellant in beroep daaromtrent naar voren heeft gebracht. De Raad is gelet op de inhoud van deze toelichting van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht die functies te verrichten.

Het vorenoverwogene houdt in dat de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant naar het oordeel van de Raad op goede gronden berust.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.