Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
04-3609 WAO + 06-6187 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. In hoger beroep na rapportage onafhankelijk deskundige, nader besluit inhoudende toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3609 WAO

06/6187 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2004, 03/1736 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar namens het Uwv is verschenen mr. L. Smid.

Na de behandeling ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad de psychiater G.T. Gerssen als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: besluit 2), waarbij het bezwaar gegrond is verklaard en appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per

12 april 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Namens het Uwv heeft mr. Smid verzocht om laatstgenoemd besluit te betrekken in deze procedure.

Bij brief van 1 december 2006 heeft mr. Voets op het besluit van 26 oktober 2006 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 22 december 2006. Namens appellante is - zoals tevoren was bericht - niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Smid, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is na de geboorte van haar tweede kind in 1999 met recidiverende psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als medewerkster bij wasserij De Lelie te Duiven. Aansluitend aan het volmaken van de wettelijke wachttijd is zij met ingang van 20 januari 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij gelegenheid van een herbeoordeling in 2002 heeft de verzekeringsarts M.I. de Bruin gerapporteerd dat appellantes toestand geleidelijk is verbeterd, en dat zij beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden conform de door hem ingevulde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige M. van Ditmarsch heeft het verlies aan verdiencapaciteit vervolgens op 8% berekend. Bij besluit van 12 februari 2003 heeft het Uwv daarop appellantes uitkering per 12 april 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.

De rechtbank heeft ongegrond verklaard het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 17 juli 2003 (hierna: besluit 1), waarbij het namens appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante alle in eerdere instanties aangevoerde grieven herhaald. Zij is uitgebreid ingegaan op zowel de psychische als de fysieke klachten van appellante, alsook op arbeidskundige aspecten van de schatting. Zij heeft daarbij ondermeer een verklaring van de behandelend psychiater C. Kok overgelegd.

De door de Raad benoemde deskundige psychiater Gerssen heeft in zijn rapport van

11 augustus 2006 geconcludeerd dat hij zich deels kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Hij is van oordeel dat als gevolg van appellantes depressieve stoornis een gemiddelde werkweek van 40 uur niet haalbaar is. Hij kan zich verenigen met de rapportage van de arbeidsdeskundige

Van Ditmarsch en acht de geselecteerde functies passend, met uitzondering van het gegeven dat appellante geschikt zou zijn voor een normale arbeidsprestatie van 36 uur.

Naar aanleiding van de conclusies van de deskundige heeft de

bezwaarverzeverzekeringarts F.J.J. van Gulick in de FML alsnog een urenbeperking

van 4 uur per dag en 20 uur per week opgenomen. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Leeneman een nader onderzoek ingesteld, waarbij zij appellantes verlies aan verdiencapaciteit heeft becijferd op 60,1%. Hierop heeft het Uwv het in rubriek I genoemde besluit 2 genomen.

Desgevraagd heeft mr. Voets hierop bij brief van 1 december 2006 gereageerd, waarna het Uwv nog nadere arbeidskundige stukken heeft ingezonden. Ook hierop is zijdens gemachtigde van appellante gereageerd. Samengevat handhaaft zij haar argumenten betreffende de (niet) passendheid van de functies.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot besluit 1 stelt de Raad allereerst vast dat het Uwv dit besluit niet langer handhaaft, nu in besluit 2 een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de beslissing van 12 februari 2003 is genomen, waarbij opnieuw over de medische en arbeidskundige aspecten is beslist. In besluit 2 is vermeld dat besluit 1 is ingetrokken. Dit betekent dat appellante geen belang meer heeft bij het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, nu namens haar geen verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend en al haar grieven inzake de mate van haar arbeidsongeschiktheid bij de toetsing van besluit 2 aan de orde kunnen komen. Het hoger beroep van appellante is derhalve niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat in zijn vaste rechtspraak besloten ligt dat de Raad het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 722,14 in eerste aanleg en op € 817,86 in hoger beroep, in totaal

€ 1.540,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.540,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier,

uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.