Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
05-6074 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verzoek om terug te komen, maar aanvraag om op grond van bijzondere omstandigheden alsnog met ingang van de datum waarop bezwaar is gemaakt tegen de beschikking van de IND, voor bijstandsverlening in aanmerking te komen. Gelijkstelling met een Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6074 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2005, 04/3229 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Voor appellant is verschenen mr. Melchers. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant bezit de Marokkaanse nationaliteit, was sedert 21 augustus 2003 opgenomen in de unit Voortgezette Behandeling van Centrum Maliebaan te Utrecht en verbleef aansluitend vanaf 18 maart 2004 in de unit Klinisch Wonen Thomassenstraat van evengenoemd centrum. Op 4 september 2003 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 20 oktober 2003 wegens ontoereikende gegevens buiten behandeling gesteld. Na bezwaar is de aanvraag bij besluit van 7 april 2004 alsnog afgewezen op de grond dat appellant geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Daarbij is overwogen dat zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bij beschikking van 28 april 2003 is ingetrokken en dat daartegen niet tijdig bezwaar is aangetekend. Op 27 mei 2004 heeft appellant wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij is verzocht hem met terugwerkende kracht ingaande 21 augustus 2003 (lees: 29 augustus 2003) voor algemene bijstand in aanmerking te brengen. Sedert 16 juni 2004 is appellant gedetineerd. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: IND) het tegen de beschikking van 28 april 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en appellant tevens ongewenst verklaard. Daartegen is namens appellant beroep ingesteld.

Bij besluit van 23 juli 2004 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat sedert het onherroepelijk geworden besluit van 14 april 2004 (lees: 7 april 2004) niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het College het tegen het besluit van 23 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daarbij is in het bijzonder aangevoerd dat appellant geacht moet worden ten tijde in geding rechtmatig in Nederland te hebben verbleven aangezien de IND een inhoudelijke beslissing op het bezwaarschrift van 29 augustus 2003 heeft gegeven en daarmee de termijnoverschrijding in bezwaar (impliciet) verschoonbaar heeft geacht.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het College ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad heeft het College daarmee miskend dat met de aanvraag van appellant niet is beoogd te bewerkstelligen dat het College terugkomt van het eerdere besluit van 7 april 2004 maar veeleer om op grond van bijzondere omstandigheden alsnog met ingang van 29 augustus 2003 (zijnde de datum waarop bezwaar is gemaakt tegen de beschikking van de IND van 28 april 2003) voor bijstandsverlening in aanmerking te komen. Dat deze datum ter zitting van de Raad alsnog is gewijzigd in 4 september 2003 (zijnde de datum eerste aanvraag) maakt dit niet anders.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 2 november 2004 (waarbij het besluit van 23 juli 2004 is gehandhaafd) wegens strijd met de wet vernietigen.

De Raad zal vervolgens bezien of aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Het verzoek om bijstand van 27 mei 2004

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege. Met de Nederlander wordt op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander worden gelijkgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WWIK (hierna: Besluit gelijkstelling) bepaalt dat voor de toepassing van de WWB met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000, binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Besluit gelijkstelling eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zodra onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist, of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingen-wet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Uit de gedingstukken, met name het besluit van de IND van 22 juli 2004, kan worden afgeleid dat het bezwaar tegen het besluit van de IND van 28 april 2003 na toepassing van artikel 6:11 van de Awb, en derhalve op inhoudelijke gronden, ongegrond is verklaard. Tegen dat besluit is tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank. Appellant voldeed, toen het College het besluit op bezwaar nam, aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit gelijkstelling.

Op dat moment was nog niet onherroepelijk beslist op het beroep tegen het besluit van 22 juli 2004. Bij het nemen van het besluit op bezwaar had het College in aanmerking moeten nemen dat dit beroep was ingesteld en dat ingevolge het bepaalde in artikel 82, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de werking van het besluit van 22 juli 2004 was opgeschort totdat op het beroep tegen dat besluit zou zijn beslist. Artikel 1, tweede lid, van het Besluit gelijkstelling was ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar door het College dan ook niet op appellant van toepassing.

Uit het voorgaande vloeit voort dat appellant in beginsel met ingang van 27 mei 2004 voor bijstandverlening in aanmerking komt, tenzij overigens nog beletselen voor bijstandsverlening bestaan. De Raad merkt in dat verband nog op dat appellant kennelijk sedert 16 juni 2004 onafgebroken is gedetineerd, zodat per die datum het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg staat.

Aangezien uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijk is geworden hoe de feitelijke situatie van appellant gedurende de periode van 27 mei 2004 tot en met 15 juni 2004 was, bestaat onvoldoende grond de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Het College dient derhalve in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 67 en 68a van de Abw en 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden dan wel, in voorkomende gevallen, de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Raad ziet in dit geval in het gegeven dat appellant reeds op 4 september 2003 een aanvraag om bijstand heeft ingediend en dat het College niet heeft onderkend dat appellant - op grond van het voorgaande - achteraf bezien ook reeds toen met een Nederlander diende te worden gelijkgesteld aanleiding om in beginsel als ingangsdatum van mogelijke bijstandsverlening met terugwerkende kracht 4 september 2003 aan te houden, tenzij overigens nog beletselen voor bijstandsverlening bestaan. Van dat laatste kan in het bijzonder sprake zijn indien sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening (waarbij te denken valt aan geregelde opvang/onderdak en dergelijke) en/of indien vaststaat dat appellant anderszins over voldoende middelen heeft beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien zonder dat daar aantoonbare en verifieerbare schulden tegenover staan. Ook in zoverre dient het College een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 november 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Utrecht;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

EK2812