Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
06/444 WWB + 06/446 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering. Onvoldoende sollicitatie-activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/444 WWB

06/446 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te Heerlen (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 december 2005, 05/293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het hoger beroep is op 5 december 2006 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet ter zitting verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het College - voor zover van belang - na bezwaar gehandhaafd het besluit tot verlaging van de bijstand met 20% gedurende de periode van 1 december 2004 tot en met 31 december 2004. Daarbij is - kort gezegd - overwogen dat appellant vanaf 1 oktober 2004 onvoldoende sollicitatie-activiteiten heeft ontplooid.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 februari 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

Vaststaat dat aan appellant bij besluit van 1 oktober 2004 met ingang van diezelfde datum (wederom) de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet werk en bijstand (WWB) zijn opgelegd. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant tijdens een herbeoordelingsgesprek in augustus 2004 al door een medewerker van de afdeling sociale zaken van de gemeente nadrukkelijk erop is gewezen dat hij minimaal twee maal per week verifieerbaar dient te solliciteren naar betaald werk.

Gebleken is dat appellant tijdens de periode van 1 oktober 2004 tot en met 21 november 2004 slechts driemaal aantoonbaar en verifieerbaar heeft gesolliciteerd. Het College was derhalve ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden tot verlaging van de bijstand. De Raad stelt vast dat de bijstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 37, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening wet werk en bijstand gemeente Heerlen (hierna: verordening) gedurende een maand met 20% is verlaagd. Van redenen om geheel of ten dele van de verlaging af te zien is de Raad niet kunnen blijken. Hetgeen appellant ter zake van zijn medische beperkingen heeft gesteld kan hier niet aan afdoen, omdat hij dit niet met objectief medische gegevens heeft gestaafd en, voor zover deze klachten zien op reeds eerder vastgestelde beperkingen (geen zwaar lichamelijk werk alsmede geen frequent bukkend en/of knielend werk), deze op zichzelf geen beletsel vormen om - met inachtneming van die beperkingen - te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Dat het College onder de gegeven omstandigheden had moeten volstaan met het geven van een waarschuwing kan de Raad niet volgen. Nog daargelaten dat de WWB (anders dan de Abw) en de verordening daarin niet voorzien, staat immers vast dat appellant vooraf mondeling concreet op zijn verplichtingen is gewezen, dat dit nog eens is herhaald bij het besluit van 1 oktober 2004 en dat hij is gewaarschuwd voor de consequenties als die verplichtingen niet of niet naar behoren zouden worden nagekomen.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

EK2812