Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
06-1066 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijvende weigering WW-uitkering omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR 2007, 25 met annotatie van mr. M.J.A.C.. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1066 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2006, 05/3271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Spek, advocaat te ‘s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellante was vanaf 1 februari 1999 als productiemedewerkster op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en per 1 augustus 1999 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam bij Intergreen B.V. (later: Green Partners B.V.), gevestigd te Honselersdijk (hierna: de werkgever). Op 1 juli 2003 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met schouderklachten en zij is daarna herhaaldelijk opnieuw uitgevallen, voor het laatst eind mei 2004. Bij beschikking van 4 november 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen appellante en haar werkgever per 5 november 2004 ontbonden. Bij besluit van 25 november 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 29 juni 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidson-geschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

2.2. Op 30 november 2004 heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering aan appellante met ingang van 5 november 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden omdat zij had kunnen weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Uwv de maatregel bij besluit van 7 april 2005 gehandhaafd, waarbij is overwogen dat appellante niet heeft kunnen aantonen dat zij te ziek was om het aangepaste werk bij haar werkgever te aanvaarden, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat zij verwijtbaar werkloos is geworden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat er op grond van de beschikbare stukken voldoende aanwijzingen zijn dat appellante in staat moest worden geacht de door de werkgever aangeboden passende arbeid te verrichten en dat zij wist dat, als zij deze werkzaamheden niet zou verrichten, de werkgever de arbeidsovereenkomst zou laten ontbinden. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat appellante op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar gezondheidsklachten niet in staat zou zijn om passende arbeid te verrichten en evenmin dat de werkgever zijn afspraken niet is nagekomen dat zij begeleid zou worden door een collega van en naar de bushalte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante zich door haar opstelling en handelen jegens haar werkgever zodanig gedragen dat zij had moeten begrijpen dat haar weigering om te hervatten in de aangepaste werkzaamheden bij de werkgever tot haar werkloosheid zou leiden.

4. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat zij ziek was op het moment dat de werkgever haar vroeg om passende arbeid te verrichten en dat het reïntegratietraject door de werkgever mooier is voorgesteld dan het in werkelijkheid was omdat aan de voorwaarden, zoals door de bedrijfsarts gesteld, niet werd voldaan. Voorts betwist appellante dat zij had moeten begrijpen dat de weigering om te hervatten bij haar werkgever tot haar werkloosheid zou leiden, omdat in de periode van haar ziekte ook sprake was van psychische klachten waardoor zij niet heeft kunnen overzien wat de gevolgen waren van haar opstelling.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.2. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij stelt zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.3. Uit de voorhanden gedingstukken komt naar voren dat de bedrijfsarts in zijn voortgangsverslag van 3 juni 2004 heeft aangegeven dat appellante beperkingen heeft in staan en lopen waardoor zij haar eigen werk niet kan doen, maar dat er mogelijkheden zijn voor zittende werkzaamheden waarbij ook het lopen en staan tijdens het woon/werkverkeer zeer beperkt moet zijn (bijvoorbeeld zittende werkzaamheden waarbij appellante gehaald en gebracht wordt). Naar aanleiding hiervan heeft de werkgever aan appellante het aanbod gedaan om aangepaste zittende werkzaamheden te verrichten op arbeidstherapeutische basis, waartoe appellante is opgeroepen om op 15 juni 2004 op haar werk te verschijnen. Daarbij heeft de werkgever doen weten, dat indien zij daaraan geen gevolg zou geven, de werkgever de loondoorbetaling zou beëindigen. Appellante heeft de aangeboden werkzaamheden niet aanvaard, maar heeft verzocht om een deskundigenoordeel omtrent de passendheid van de door de werkgever aangeboden arbeid. In dat verband heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 21 juli 2004 geconcludeerd dat de door de bedrijfsarts weergegeven belastbaarheid niet is overschat, terwijl ook de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het aangeboden werk passend is te achten. Nu appellante ook na het deskundigenoordeel geweigerd heeft de aangeboden arbeid op arbeidstherapeutische basis te aanvaarden, terwijl deze als passend is aangemerkt en niet is gebleken dat de werkgever zich ter zake van de reïntegratie van appellante onvoldoende inspanningen heeft getroost, is de Raad van oordeel dat appellante door haar opstelling jegens haar werkgever zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van haar dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Dat appellante, zoals namens haar in hoger beroep is betoogd, ten tijde van haar ziekte in een zodanige psychische toestand verkeerde dat zij de gevolgen van haar opstelling niet heeft kunnen overzien, is de Raad niet gebleken nu de beschikbare medische gegevens daarvoor geen steun bieden en andersluidende gegevens terzake door appellante niet zijn overgelegd.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW

81