Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
04-6379 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep tegen WAO-besluit dient wegens ontbreken van een relevant procesbelang niet-ontvankelijk te worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6379 WAO (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2004, 04/714 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.D. Siegfried, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft, desgevraagd, ontbrekende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. Biever, kantoorgenoot van mr. Siegfried, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

De voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden laten zich als volgt weergeven.

Appellant is in 1994 wegens schouder- en nekklachten als gevolg van een verkeersongeval uitgevallen voor zijn werkzaamheden als kelner. De hem met ingang van 15 mei 1995 toegekende volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), is bij besluit 6 oktober 1997 met ingang van 15 maart 1996 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft zich per 27 augustus 1999 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens lage rugklachten. Naar verzekeringsgeneeskundig oordeel is appellant in verband met de door hem op 27 augustus 1999 ondergane operatieve ingreep inzake genoemde rugklachten, voor ten minste een periode van 14 weken als volledig arbeidsongeschikt aan te merken.

Bij besluit van 18 oktober 1999 heeft de voorganger van het Uwv, hierna ook aangeduid als: Uwv, evenwel geweigerd om de uitkering van appellant te verhogen, omdat naar zijn oordeel de rugklachten kennelijk voortvloeiden uit een andere ziekteoorzaak in de zin van artikel 37 van de WAO. Bij besluit van 19 oktober 2000 heeft het Uwv het tegen het besluit van 18 oktober 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 4 november 2002 onder meer het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming de conclusies gevolgd van de als deskundige geraadpleegde arts dr. J.C. Streng, hierop neerkomend dat de lage rugklachten van appellant wel zijn te relateren aan de ongevalsgevolgen uit 1994 en dat aldus de wegens die rugklachten opgetreden toename van appellants arbeidsongeschiktheid tot een volledige arbeidsongeschiktheid niet is voortgekomen uit een kennelijk andere oorzaak in de hiervoor bedoelde zin.

Het Uwv heeft in deze uitspraak berust. De verzekeringsarts P. Hulleman heeft in haar rapport van 4 maart 2003 in lijn met het vorenomschreven oordeel van de rechtbank geconcludeerd dat appellant met ingang van 27 augustus 1999 - tot 14 februari 2001 - als volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd uit dezelfde ziekteoorzaak.

Vervolgens heeft het Uwv bij primair besluit van 9 juli 2003 aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 27 augustus 1999 is gewijzigd en dat zijn WAO-uitkering met inachtneming van een wachttijd van vier weken als bedoeld in artikel 39a van de WAO met ingang van 24 september 1999 wordt herzien naar 80 tot 100%.

In bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2003 is namens appellant aangevoerd dat hij zich weliswaar kan vinden in de bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op

80 tot 100%, maar dat hij het niet eens is met de ingangsdatum van de ophoging. Appellant is de opvatting toegedaan dat hij reeds vanaf 15 maart 1996, de datum met ingang waarvan bij besluit van 6 oktober 1997 de mate van zijn arbeidsongeschiktheid was bepaald op 35 tot 45%, doorlopend volledig arbeidsongeschikt is geweest. Hij beroept zich daarbij op een brief van voornoemde arts Streng, tot wie appellant zich inmiddels zelf had gewend.

De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft op basis van het door hem ingestelde onderzoek geconcludeerd dat er onvoldoende gronden zijn om de ophoging tot volledige arbeidsongeschiktheid eerder te doen ingaan dan 27 augustus 1999.

Bij besluit van 27 januari 2004 is vervolgens het bezwaar tegen het besluit van

9 juli 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat het besluit van 9 juli 2003 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van 4 november 2002, in welke procedure de datum 27 augustus 1999 - en geen eerdere datum - in geding was.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2003 in feite moet worden beschouwd als een verzoek aan het Uwv om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluiten, en dat uit het verslag van de hoorzitting en uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn valt af te leiden dat het Uwv het bezwaar inderdaad in die zin heeft opgevat.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn over te gaan tot herziening van de eerder genomen besluiten. Het beroep tegen het bestreden besluit is aldus door de rechtbank ongegrond verklaard.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren komt in essentie erop neer dat appellant, anders dan de rechtbank, van mening is dat er wel sprake is van nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb die voor het Uwv aanleiding hadden behoren te zijn om het besluit van 6 oktober 1997 te herzien en hem reeds vanaf de in dat besluit genoemde datum 15 maart 1996 als volledig arbeidsongeschikt aan te merken.

Mede onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande ter zitting van de Raad is besproken, overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de ter beschikking staande gegevens strekte het besluit van 9 juli 2003, naar ook de rechtbank heeft overwogen, ter uitvoering van de opdracht die de rechtbank in haar hiervoor vermelde uitspraak van 4 november 2002 aan het Uwv had gegeven. Nu in die uitspraak alleen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2000 was vernietigd en het primaire besluit van 18 oktober 1999 in stand was gelaten, kon het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit slechts een nieuw besluit betreffen op het - weer openstaande - bezwaar tegen voornoemd primaire besluit.

Gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, stond derhalve tegen het besluit van 9 juli 2003 geen bezwaar open, maar beroep. Het Uwv had dan ook op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift naar de rechtbank moeten doorzenden. De rechtbank had, constaterende dat het Uwv dit heeft nagelaten, het bezwaar tegen het besluit van

9 juli 2003 alsnog als een beroep dienen te behandelen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan.

In plaats daarvan heeft de rechtbank, eveneens ten onrechte, het besluit van

27 januari 2004 inhoudelijk beoordeeld. Dit besluit stond gelet op het bepaalde in

artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb nu juist niet ter beoordeling van de rechtbank. Zoals de rechtbank zelf heeft vastgesteld, dient het tegen het besluit van

9 juli 2003 onder de noemer bezwaarschrift gerichte schrijven te worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit van 6 oktober 1997, nu immers appellant in dat schrijven te kennen geeft dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid reeds ingaande 15 maart 1996 moet worden gesteld op 80 tot 100%. Het besluit van

27 januari 2004 heeft mitsdien het karakter van een primair besluit, strekkende tot weigering om terug te komen van het besluit van 6 oktober 1997. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift had derhalve op grond van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift dienen te worden doorgezonden aan het Uwv.

Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad thans overgaan tot beoordeling van het besluit van 9 juli 2003. De Raad overweegt dat in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2002, uitgangspunt was

- voor partijen en de rechtbank - dat appellant, naar aanleiding van diens melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 27 augustus 1999, met ingang van die datum als volledig arbeidsongeschikt was te beschouwen, en dat partijen uitsluitend verdeeld werden gehouden door de vraag of die toegenomen arbeidsongeschiktheid tot ophoging van zijn gedeeltelijke uitkering diende te leiden. Die vraag is door de rechtbank bevestigend beantwoord, aangezien volgens de rechtbank de toename van arbeidsongeschiktheid van appellant, anders dan waarvan het Uwv was uitgegaan, is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak.

Nu de uitkering van appellant bij nader besluit op bezwaar van 9 juli 2003 met toepassing van een wachttijd van vier weken, te rekenen vanaf 27 augustus 1999, derhalve met ingang van 24 september 1999, is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft appellant het maximale bereikt wat hij in deze procedure kon bereiken en moet zijn beroep tegen dat besluit wegens ontbreken van een relevant procesbelang niet-ontvankelijk worden geacht.

De Raad overweegt ten slotte dat hij erop vertrouwt dat het Uwv met voortvarendheid overgaat tot behandeling van het bezwaarschrift tegen het besluit van 27 januari 2004.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en eveneens op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2003 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

RB2212