Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
03/5086 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5086 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 augustus 2003, 01/278 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Appellant was vertegenwoordigd door mr. J. Jennekens. Voor betrokkene is verschenen

J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 5 april 2000 heeft appellant aan [naam persoon] per 9 maart 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 18 januari 2001 heeft appellant, beslissend op het door betrokkene gemaakte bezwaar, geweigerd het besluit van 5 april 2000 te herroepen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 18 januari 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 januari 2001 vernietigd, een en ander met nadere beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht.

De rechtbank is – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende onderzoek heeft verricht om het recht van [naam persoon] op een WAO-uitkering deugdelijk te kunnen vaststellen en dat niet is komen vast te staan dat appellant terecht als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 11 maart 1999 heeft aangewezen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vastgesteld overeenkomstig de opgave van betrokkene. Voorts heeft appellant op de in het aanvullend hoger beroepschrift opgesomde gronden betoogd dat aan het besluit van

5 april 2000 een voldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt.

Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard. Betrokkene heeft

erop gewezen dat zij per 11 maart 1999 – een deel van – het bedrijf heeft overgenomen waar [naam persoon] werkzaam was. [naam persoon] is per die datum bij haar in dienst gekomen. [naam persoon] was echter op dat moment al ziek, zodat appellant er ten onrechte van is uitgegaan dat [naam persoon] is uitgevallen toen hij bij betrokkene in dienst was.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 19 van de WAO geldt als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.

De vaststelling van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid geschiedt in het kader van de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering door appellant. Op appellant rust de verplichting om alvorens tot een besluit te komen de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten.

Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene op het werkgeversformulier Algemene aanvraag WAO als eerste ziektedag heeft vermeld 11 maart 1999. Reeds in het bezwaarschrift van 11 mei 2000, gericht tegen het besluit van 5 april 2000, heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Naar aanleiding van dit bezwaar had appellant omtrent dit punt de nodige kennis dienen te vergaren. Appellant heeft dit niet gedaan.

Van de gedingstukken maakt deel uit een computeruitdraai van Maetis Arbo waarop is vermeld als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 26 februari 1999. Voorts maakt van de gedingstukken deel uit een aantal brieven van de advocaat van [naam persoon] gericht aan betrokkene omtrent de gevolgen voor [naam persoon] van de (gedeeltelijke) overname door betrokkene van het bedrijf waar [naam persoon] werkzaam was. Deze brieven houden in dat [naam persoon] reeds voor 11 maart 1999 zijn werk wegens ziekte had gestaakt.

Ook de namens betrokkene gegeven antwoorden – de Raad wijst op de namens betrokkene aan de advocaat van [naam persoon] gezonden brief van 17 februari 2000 – houden in dat [naam persoon] reeds vóór de gedeeltelijke overname van het bedrijf ziek thuis was.

Indien deze stukken in onderling verband worden bezien, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [naam persoon] reeds vóór 11 maart 1999 zijn werkzaamheden had gestaakt. Dat [naam persoon] bij de verzekeringsgeneeskundige noch bij de arbeidsdeskundige de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie heeft gesteld, maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat dit betrokkene niet kan worden verweten, blijkt uit de opgestelde rapportages geenszins dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in de gesprekken met [naam persoon] expliciet aan de orde is geweest. Ook uit het rapport van 21 maart 2000, opgesteld door de arbeidsdeskundige P.G. Gerrits, kan, anders dan appellant meent, niet worden opgemaakt dat [naam persoon] eerst op of na 11 maart 1999 is uitgevallen. In dit rapport is vermeld dat de klachten van [naam persoon] zijn ontstaan bij en/of als reactie op de onderhandelingen over een nieuw arbeidscontract. [naam persoon] heeft geweigerd dit contract te tekenen, omdat hij dan een aantal voor hem belangrijke zaken zou kwijtraken. Aanknopingspunten dat [naam persoon] bij betrokkene in dienst is getreden dan wel werkzaamheden voor betrokkene heeft verricht, bevat dit rapport niet.

Naar het oordeel van de Raad kan onder de vorengeschetste omstandigheden niet tot een andere conclusie worden gekomen dan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van [naam persoon] niet 11 maart 1999 is, doch is gelegen op een eerdere datum. Het hoger beroep van appellant op dit punt faalt mitsdien.

De Raad ziet thans geen aanleiding te oordelen over de gronden door appellant ingediend met betrekking tot het onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van [naam persoon]. Ter voorziening in deze uitspraak zal appellant immers een nieuwe beoordeling dienen te verrichten tegen een andere – op een eerder tijdstip – gelegen datum.

Voor vernietiging van de uitspraak als door appellant gevorderd, is dan ook geen plaats.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,--, aan betrokkene te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CVG