Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
04-6375 ZW + 04-6376 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging ZW-uitkering: is bij de hersteldverklaring de juiste maatstaf arbeid in aanmerking is genomen?Uitzonderlijke situatie met naar aard, omvang en zwaarte van het werk extreem verlichtende werkomstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6375 ZW, 04/6376 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 oktober 2004, 03/784 en 03/791 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van der Heijden, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006 en is vervolgens geschorst. Namens appellante is mr. Van der Heijden verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Liesting. Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 8 november 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Onzen.

II. OVERWEGINGEN

Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van de beroepen van appellante tegen twee besluiten op bezwaar van 12 mei 2003. Ter zitting van de Raad op 8 november 2006 heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat het Uwv het besluit op bezwaar waarbij het zijn besluit heeft gehandhaafd appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen (hierna: het WAO-besluit), niet langer handhaaft. Nu het WAO-besluit is ingetrokken en appellante een verzoek heeft gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft zij belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en van het WAO-besluit. De Raad zal om die reden de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen, het beroep van appellante tegen het WAO-besluit gegrond verklaren en het WAO-besluit vernietigen.

Tussen partijen is thans nog in geschil of het Uwv terecht bij besluit op bezwaar van 12 mei 2003 (hierna: ZW-besluit) zijn besluit heeft gehandhaafd de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) die appellante sedert 19 maart 2002 ontving, te beëindigen met ingang van 30 december 2002. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de hersteldverklaring per 30 december 2002 de juiste maatstaf arbeid in aanmerking is genomen.

Appellante was laatstelijk fulltime werkzaam in een confectieatelier van een familielid waar ook textiel werd bedrukt. Zij hield zich bezig met controlewerk, incidenteel inpakwerk en het aansturen van twee inpaksters. Zij heeft zich ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten en psychische klachten. Ten tijde van haar ziekmelding was zij werkloos en ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Terugkeer naar de vroegere werkgever was uitgesloten nu deze failliet was verklaard.

Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid van een werkloze verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid, met inbegrip van de voor de aard van die arbeid wezenlijk te achten, verlichtende omstandigheden (zie de uitspraak van de Raad van 15 november 1978, RSV 1979/37). Als vaststaat dat de verzekerde niet meer in dienst van de vroegere werkgever kan terugkeren, is diezelfde arbeid maatstaf, maar dan verricht in dienst van een soortgelijke werkgever. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen dienen bij de beoordeling van de geschiktheid tot werken in het geval het dienstverband in de laatstelijk uitgeoefende functie is verbroken, bij de vaststelling van de in aanmerking te nemen arbeid uitsluitend de specifieke bij dat dienstverband behorende werkomstandigheden buiten beschouwing te blijven (zie de uitspraken van de Raad van 9 april 2002, LJN: AE4474, USZ 2002/153, en van 2 juli 2002, LJN: AE5844, RSV 2003/1).

De Raad stelt voorop dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraak terecht van is uitgegaan dat de Raad in laatstgenoemde uitspraken het oog heeft gehad op verzwarende omstandigheden die specifiek samenhangen met de arbeid en werkomstandigheden bij de vroegere werkgever. In het geval van appellante was echter sprake van zodanig uitzonderlijke verlichtende omstandigheden dat niet geoordeeld kan worden dat de arbeid die zij laatstelijk feitelijk verrichtte, met inbegrip van alle verlichtende omstandigheden waaronder zij die arbeid verrichtte, als maatstaf voor de arbeid in de zin van de ZW kan gelden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante werkzaam was in het bedrijf van een familielid, waarin zij een uitzonderingspositie had in die zin dat zij alle vrijheid had om het werk af te stemmen op haar klachten. Zij kon naar keuze zitten of staan, naar believen rusten als zij last van de rug had en desnoods tussendoor enige tijd gaan liggen. Voor dit laatste was voor haar binnen het bedrijfspand een voorziening gecreëerd. Op geleide van haar klachten kon zij haar werktijden aanpassen en naar huis gaan als het niet meer ging. Er was geen tijds- of tempodruk en geen noemenswaardige fysieke belasting. Hier is dan ook naar het oordeel van de Raad sprake van een uitzonderlijke situatie met naar aard, omvang en zwaarte van het werk extreem verlichtende werkomstandigheden, welke niet valt te brengen onder de vaste jurisprudentie van de Raad zoals hierboven aangehaald. De Raad concludeert dan ook dat in het geval van appellante de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid ten onrechte als haar arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW is aangemerkt. Bij de beoordeling van haar geschiktheid dienen de geschetste uitzonderlijke omstandigheden buiten beschouwing te blijven. Nu bij de hersteldverklaring deze omstandigheden wel in aanmerking zijn genomen, berust de beëindiging van de uitkering van ziekengeld op een onjuiste maatstaf en kan het ZW-besluit niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak dient ook in zoverre te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van de appellante. Dienaangaande is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv, indien het een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal het ter zake een zelfstandig besluit dienen te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het WAO-besluit van 12 mei 2003 en het beroep tegen het ZW-besluit van 12 mei 2003 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

MK