Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
05-294 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet ongeschikt om zijn arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/294 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 15 december 2004, 04/436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in de periode dat hij werkzaam was als timmerman meerdere keren uitgevallen met rugklachten. Laatstelijk is hij werkzaam geweest als uitvoerder in de bouw. Hij ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toen hij zich op 29 september 2003 opnieuw met rugklachten ziek meldde. Het Uwv heeft de ziekmelding in verband met een lopende behandeling van het pijnteam voor de duur van de behandeling geaccepteerd. Tijdens het spreekuur op 19 januari 2004 heeft een verzekeringsarts appellant weer in staat geacht tot het verrichten van werk als uitvoerder en hem met ingang van diezelfde datum hersteld verklaard. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 20 januari 2004 appellant meegedeeld dat hij met ingang van 19 januari 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 maart 2004 (ongegrond) verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij twee maal heeft geprobeerd te werken als bouwvakker, hetgeen vanwege zijn rugklachten niet lukte. Verder heeft hij aangegeven dat hij als uitvoerder niet wordt aangenomen, gelet op zijn leeftijd en zijn gebrek aan opleiding.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad bij herhaling heeft vastgesteld, dient onder "zijn arbeid" te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Verder heeft de Raad reeds eerder overwogen dat bij de beoordeling van de geschiktheid tot werken in het geval het dienstverband in de laatstelijk uitgeoefende functie is verbroken, bij de vaststelling van de in aanmerking te nemen arbeid uitsluitend de specifieke bij dat dienstverband behorende werkomstandigheden buiten beschouwing dienen te blijven. Appellant heeft voorafgaand aan zijn ziekmelding per 29 september 2003 laatstelijk gewerkt als uitvoerder in de bouw en van specifieke bij dat dienstverband behorende werkomstandigheden is de Raad niet gebleken. Het Uwv heeft terecht beoordeeld of appellant op 14 januari 2004 in staat was werk als uitvoerder in de bouw te verrichten.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv en de Raad verenigt zich dan ook met de conclusie van de rechtbank dat het bestreden besluit op goede gronden berust. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd, die alsnog voor twijfel zou kunnen zorgen. Gelet op het door appellant in hoger beroep ingenomen standpunt lijkt ook appellant niet te betwisten dat hij medisch gezien in staat zou zijn werk als uitvoerder te verrichten. Appellant ondervindt echter problemen met het verkrijgen van een baan als uitvoerder, gelet op zijn leeftijd en gebrek aan opleiding. Deze omstandigheden kunnen echter niet worden betrokken bij de vraag of appellant niet ongeschikt is in de zin van artikel 19 van de ZW het werk als uitvoerder te verrichten.

Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007.

(get.) M.C. Bruning

(get.) P. van der Wal

TM