Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05-5392 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Redelijke beleidsbepaling van College.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5392 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], thans wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2005, 04/1656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 18 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Lange, werkzaam bij ABVAKABO FNV te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam, en A.H. Tabak, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 2001 werkzaam als personenvervoerder metro bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf (GVB) van de gemeente Amsterdam. Op 14 maart 2003 is hij drieëneenhalf uur te laat op het werk verschenen. Op 12 mei 2003 is hij niet verschenen op het spreekuur van de Arbodienst, waarna hij op 15 mei 2003 vier uur te laat op het werk verscheen.

1.2. Aan de daarop volgende uitnodiging voor een verantwoordingsgesprek op 18 juni 2003 heeft hij geen gevolg gegeven, hoewel zijn leidinggevende hem die dag nog telefonisch, via zijn vriendin, hieraan had herinnerd. Nadat geplande verantwoordingsgesprekken op 24 en 30 juni 2003 niet waren doorgegaan, heeft appellant een dienstopdracht gekregen om op 17 juli 2003 te verschijnen voor een verantwoordingsgesprek.

1.3. Toen appellant ook hier niet verscheen, is hij diezelfde dag telefonisch geschorst. Bij brief van 25 juli 2003 is de schorsing bevestigd en is appellant het voornemen meegedeeld hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen. Na een zienswijzegesprek is de schorsing op 21 augustus 2003 opgeheven en is het voorstel tot strafontslag omgezet in een voorstel tot voorwaardelijk strafontslag.

1.4. Op 1 september 2003 heeft appellant zich ziek gemeld. Hij heeft niet aangegeven dat hij niet op zijn huisadres te bereiken was. Op 2 september 2003 heeft een rapporteur ziekteverzuim appellant niet aangetroffen op zijn huisadres. Hij is vervolgens niet verschenen op afspraken bij de bedrijfsarts en bij het Mobiliteitscentrum (MOC).

1.5. Tijdens een verantwoordingsgesprek op 17 september 2003 heeft appellant gesteld dat hij ervan uitging dat wel bekend was dat hij bij klachten van suikerziekte meestal bij zijn moeder bereikbaar was. De afspraken bij bedrijfsarts en MOC was hij vergeten.

1.6. Vervolgens is appellant bij besluit van 20 oktober 2003 op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) met onmiddellijke ingang strafontslag opgelegd vanwege zeer ernstig plichtsverzuim.

1.7. Het ontslag is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 maart 2004.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan zijn stelling dat het niet nakomen van afspraken te wijten is aan zijn vergeetachtigheid, die veroorzaakt werd door een verwaarloosde/ontregelde suikerziekte in combinatie met stress. Voorts heeft hij gesteld dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag, mede gezien zijn overige persoonlijke omstandigheden, onevenredig is.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant de hem verweten gedragingen niet betwist. Hij beroept zich er echter op dat deze hem niet of in mindere mate zijn aan te rekenen, en dat hem derhalve ten onrechte zeer ernstig plichtsverzuim is verweten.

4.2. Uit de gedingstukken is de Raad gebleken, dat appellant van 18 tot en met 20 maart 2003 en van 20 tot en met 22 april 2003 opgenomen is geweest in het Academisch Medisch Centrum Amsterdam in verband met ontregelde suikerziekte, gepaard gaande met uitdrogingsverschijnselen. De Raad leidt voorts uit de gedingstukken af dat appellant bij ontslag uit het ziekenhuis goed was ingesteld; appellant heeft dit ook erkend.

Voorts heeft de bedrijfsarts K. verklaard dat hij op 22 juli 2003 in een advies aan de leiding heeft geschreven: “Er zijn geen medische gronden die kunnen verklaren dat betrokkene niet op zijn afspraken was. Betrokkene is in staat 8 uur per dag en 36 uur per week werkzaamheden te verrichten op vaste tijden in verband met zijn medische situatie. Betrokkene is goed ingesteld op insuline.” K. voegt daaraan nog toe: “Deze zin heb ik in zorgvuldig overleg met betrokkene opgeschreven.” Ook een collega-bedrijfsarts, die appellant op 29 september 2003 heeft gezien, heeft vergeetachtigheid niet als beperking genoemd.

Bovendien is namens appellant op de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar verklaard dat zijn huisarts ook geen medische oorzaak voor de vergeetachtigheid heeft kunnen vinden.

Ook de in hoger beroep door appellant ingediende medische stukken, waaronder een brief met bijlagen van de internist-in-opleiding B., bieden geen afdoende verklaring voor de voortdurende vergeetachtigheid van appellant, ook in tijden dat zijn insuline-medicatie goed ingesteld was. De Raad maakt uit die stukken hooguit op, dat een diabetische ontregeling, gepaard met uitdroging, mogelijk wel (tijdelijk) verschijnselen van desoriëntatie en vergeetachtigheid tot gevolg kan hebben.

4.3. De Raad concludeert dat, zo er al gedurende bepaalde, korte, perioden een medische oorzaak aanwijsbaar is voor appellants vergeetachtigheid, dit nog geen verontschuldiging vormt voor het niet nakomen van afspraken gedurende andere perioden of voor het herhaaldelijk vele uren te laat op het werk verschijnen. Ook de door appellant ondervonden stress vormt hiervoor geen afdoende verontschuldiging.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat appellant meerdere mogelijkheden onbenut heeft gelaten om de gevolgen van zijn vergeetachtigheid te beperken. Hij hield geen agenda bij en reageerde soms bewust niet op waarschuwingen uit zijn omgeving. Zo blijkt uit de gedingstukken dat hij op 18 juni 2003 na een telefonische herinnering van zijn leidinggevende, door zijn vriendin werd gewaarschuwd dat hij die dag een afspraak voor een verantwoordingsgesprek had, maar dat hij niettemin aan die waarschuwing geen gevolg heeft gegeven.

4.5. Op grond van het voorgaande staat voor de Raad in voldoende mate vast dat appellant zich aan toerekenbaar plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en dat het college bevoegd was hem daarvoor disciplinair te straffen.

4.6. Naar aanleiding van de grief dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim overweegt de Raad het volgende. Het college heeft verklaard dat het GVB, waar stiptheid voor de bedrijfsvoering van grote betekenis is, het beleid hanteert dat bij herhaalde overtreding van elementaire bedrijfsregels met betrekking tot aanwezigheid streng wordt opgetreden. De Raad is van oordeel dat het college hiermee binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Waar zich bij appellant, ondanks herhaalde waarschuwingen, telkens weer nieuwe incidenten voordeden, acht de Raad het niet onbegrijpelijk dat het college, na tot tweemaal toe een lichtere straf te hebben overwogen, uiteindelijk voor de straf van onvoorwaardelijk ontslag koos. De Raad acht deze straf, mede gezien het doorgaande karakter van het plichtsverzuim, niet onevenredig. In de persoonlijke omstandigheden waarop appellant zich heeft beroepen ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.7. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het 18 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

17.01