Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05-5829 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding verplaatsingskosten bij tijdelijk werk in kade van reïntegratie.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement
Verplaatsingskostenbesluit 1989 2
Verplaatsingskostenbesluit 1989 3
Verplaatsingskostenbesluit 1989 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5829 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 augustus 2005, 04/3552 AW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Directeur-Generaal van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: directeur)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De directeur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Appellante is vertegenwoordigd door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.M.F. Thomas en mr. M.J.T. van der Poel, beiden werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te Voorburg als productiebegeleider. In verband met een reorganisatie in 2000 (de zogeheten kanteling) was haar functie aangemerkt als verdwijnfunctie. Appellante was destijds arbeidsongeschikt wegens werkgerelateerde klachten. In het kader van haar re-integratie is appellante in onderling overleg in november 2000 op tijdelijke basis overgeplaatst naar het CBS te Heerlen. Doel was appellante weer in het arbeidsproces te betrekken en vast te stellen onder welke voorwaarden zij definitief kon worden benoemd in een functie te Heerlen. Deze tewerkstelling is verschillende malen verlengd, uiteindelijk tot 1 oktober 2002. Aangezien er geen passende werkzaamheden meer voorhanden waren, diende appellante zich weer te richten op een functievervulling te Voorburg, waar via een herplaatsingsprocedure een definitieve tewerkstelling moest worden gerealiseerd. Dit is uiteindelijk gelukt.

1.2. Bij brief van 16 april 2003 heeft appellante verzocht om vergoeding van de onkosten die zij ten gevolge van haar tewerkstelling in Heerlen heeft gemaakt. De kosten hebben betrekking op de inrichting van een appartement, op het wekelijks bezoeken van haar kinderen in [woonplaats] en op de verhuizing terug naar Zoetermeer. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 27 juni 2003. Dat besluit is bij de beslissing op bezwaar van

9 juli 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de directeur alsnog aan appellante een vergoeding naar billijkheid heeft toegekend op basis van artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De vergoeding bedroeg € 1.000,-. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De weigering om de gevraagde vergoeding toe te kennen berust op de overweging dat in het geval van appellante geen sprake is van een verplaatsing in de zin van artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van het Verplaatsings-kostenbesluit 1989, nu aan haar tewerkstelling in Heerlen geen opdracht van het bevoegd gezag tot verandering van standplaats ten grondslag ligt. Derhalve ontbreekt een grond voor vergoeding van de aangevoerde kosten. Het onverplichte bedrag van € 1.000,- is uit billijkheidsoverwegingen toegekend en dient ter vergoeding van de inrichtingskosten van het appartement - waarvan ook de huur reeds werd vergoed - en van de reiskosten voor het bezoeken van de kinderen van appellante op basis van de kosten van openbaar vervoer. Appellante heeft echter betoogd dat zij wel degelijk in opdracht van het bevoegd gezag is verplaatst en niet met het openbaar vervoer kon reizen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad leidt uit de stukken af dat appellante in november 2000 is tewerkgesteld in Heerlen bij wijze van re-integratie, omdat zij wegens samenwerkingsproblemen op het werk in Voorburg beter niet aldaar kon trachten het werk te hervatten. Voorts kan worden vastgesteld dat appellantes functie in Voorburg was komen te vervallen. Doel van het

re-integratieplan was blijkens de stukken ook om bij een succesvolle re-integratie vast te stellen of en onder welke voorwaarden betreffende opleiding en begeleiding, appellante definitief kon worden benoemd in de functie van werkbegeleider te Heerlen. Gelet hierop moet appellantes tijdelijke tewerkstelling in Heerlen naar het oordeel van de Raad tevens worden gezien als een herplaatsingspoging in het kader van de reorganisatie. Hoewel een en ander - vanzelfsprekend - in overleg met appellante is geschied, kan naar het oordeel van de Raad niet anders worden geconcludeerd dan dat hier sprake is van een verplaatsing als omschreven in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j, van het Verplaatsingskosten-besluit in opdracht van het bevoegd gezag. Het besluit van 21 februari 2001 met als onderwerp “detachering” moet op één lijn worden gesteld met een besluit tot tijdelijke plaatsing van appellante in de functie van werkvoorbereider.

4.2. Gelet hierop berust de weigering appellante in aanmerking te brengen voor de gevraagde vergoeding niet op juiste gronden. De directeur zal alsnog moeten bezien of appellante gegeven de tijdelijkheid van haar verplaatsing in aanmerking komt voor vergoeding van de gevraagde kosten op basis van het Reisbesluit Binnenland en het Verplaatsingskostenbesluit 1989, waarin naar het de Raad voorkomt, ook een voorziening is getroffen voor een verplaatsing van tijdelijke aard.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3. Wat betreft de toekenning van € 1.000,- op grond van billijkheid welke de directeur bij het ontbreken van een aanspraak op de gevraagde vergoeding coulance-halve heeft vastgesteld, sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Gegeven het feit dat het hier om een discretionaire bevoegdheid gaat met de daarbij behorende terughoudende toetsing door de rechter, ziet ook de Raad in het door appellante aangevoerde geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die vergoeding niet in redelijkheid kon worden vastgesteld op € 1.000,-.

4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat de directeur een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak voor wat betreft de weigering de gevraagde kosten te vergoeden. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de weigering appellante in aanmerking te brengen voor vergoeding van de gemaakte kosten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2004 in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat de directeur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de toekenning van € 1.000,- op billijkheidsgronden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.