Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05-4875 AW en 05-5905 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Buitenfunctiestelling. Het niet (tijdig) gevolg geven aan de opdracht van de rechtbank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4875 AW en 05/5905 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: korpsbeheerder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2005, 04/1195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Namens de korpsbeheerder is verschenen mr. Th. Tanja, werkzaam bij de Politieregio Amsterdam-Amstelland. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D. de Vries, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is op 16 juli 1991 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van de Politieregio Amsterdam-Amstelland. Sedert juni 1996 was zij - behoudens een onderbreking van ongeveer een jaar - werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar in schaal 4 bij het bureau Regionale Incasso, Controle en Opsporing van de Dienst Verkeerspolitie.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2003 is betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld.

1.3. Bij besluit van 31 maart 2003 heeft de korpsbeheerder aan betrokkene op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp met ingang van 1 mei 2003 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkene gedurende langere tijd zonder opgaaf van reden afwezig is geweest van het werk, zij herhaaldelijk niet oprecht is geweest in haar verklaringen naar haar meerderen en zich niet open en transparant heeft opgesteld aangaande de reden van haar afwezigheid en zij niet beschikt over de beroepshouding die vereist is voor een functie binnen het Korps.

1.4. Bij besluit van 17 februari 2004 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 14 januari 2003 en 31 maart 2003, onder aanvulling van de motivering op onderdelen, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 14 januari 2003 en 31 maart 2003 ongegrond is verklaard, met opdracht aan de korpsbeheerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de korpsbeheerder heeft kunnen concluderen dat betrokkene niet de normale uit een dienstverband voortvloeiende verplichtingen in acht heeft genomen en dat zij zich voorts niet open en transparant naar haar werkgever heeft opgesteld. Mede gegeven de duur van het dienstverband en het feit dat de afwezigheid van betrokkene in december 2002 en januari 2003 het gevolg is geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden, was de rechtbank echter van oordeel dat de korpsbeheerder betrokkene een laatste kans had moeten bieden, al dan niet in de vorm van een traject met functioneringsgesprekken, om haar functioneren te verbeteren.

3. Bij brief van 20 september 2005 heeft betrokkene, zoals reeds in rubriek I vermeld, bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) gevolg geven door de korpsbeheerder aan de door de rechtbank gegeven opdracht een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft dit beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Raad.

4. De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 2 november 2005, 05/5673 AW-VV en 05/5904 AW-VV, een verzoek van betrokkene om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Voorts is bij deze uitspraak op verzoek van de korpsbeheerder de werking van de aangevallen uitspraak geschorst.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

Het ontslag

5.1. Ter beantwoording van de vraag of de korpsbeheerder de bevoegdheid toekwam om tot ontslag over te gaan op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp, dient te worden beoordeeld of bij betrokkene sprake was van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

5.3. Aan het bestreden besluit zijn met name twee voorvallen in december 2002 en januari 2003 ten grondslag gelegd. Eén voorval betreft de handelwijze van betrokkene met betrekking tot haar reis naar Suriname eind december 2002/begin januari 2003. Vaststaat dat betrokkene op 7 november 2002 een retourticket naar Suriname heeft gekocht met een heenvlucht op 17 december 2002 en een terugvlucht op 14 januari 2003. Betrokkene deed dit naar eigen zeggen naar aanleiding van berichten over de gezondheidstoestand van haar in Suriname wonende moeder. Hoewel betrokkene over 2002 reeds een negatief saldo aan vakantie-uren had opgebouwd, heeft zij vóór de aanschaf van het ticket geen overleg gepleegd met haar leidinggevende. Deze heeft verklaard dat zij zich voor het blok gezet voelde maar dat zij, aangezien betrokkenes moeder ziek was, alsnog toestemming heeft verleend voor de laatste twee weken van december 2002.

5.4. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat haar niet voor twee, maar voor drie weken toestemming is verleend om afwezig te zijn. Wat daarvan verder ook zij, betrokkene is aanzienlijk meer dan drie weken weggebleven. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat betrokkene haar leidinggevende onjuist heeft voorgelicht over de duur van de reis. De Raad acht de verklaring van betrokkene dat de onjuiste opgave te wijten is aan stress vanwege de ziekte van haar moeder en de drukte op het werk ongeloofwaardig. Gelet op de data op het ticket moet het betrokkene immers bij aankoop al duidelijk zijn geweest hoe lang de reis zou duren en dat had zij haar leidinggevende ten tijde van de verlofaanvraag moeten melden dan wel in de dagen onmiddellijk daarna. Opvallend is dat betrokkene haar buren en collega’s wél correct heeft geïnformeerd over haar afwezigheid tot half januari 2003. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene aldus blijk gegeven van een onoprechte houding jegens haar meerdere.

5.5. Ook de houding die betrokkene na terugkeer uit Suriname op 15 januari 2003 heeft ingenomen, acht de Raad onjuist en niet oprecht. Betrokkene heeft zich eerst op 16 januari 2003 ziekgemeld; zij heeft geen steekhoudende verklaring kunnen geven waarom zij dit niet op 15 januari 2003 heeft gedaan. Evenmin heeft zij een verklaring kunnen geven voor het feit dat zij zich niet bij haar leidinggevende heeft ziekgemeld. Betrokkene heeft voorts op 16 januari 2003 tijdens een huisbezoek van haar leidinggevende verklaard dat zij in de eerste week van januari 2003 niet op haar werk is verschenen omdat zij in Suriname ziek was geworden, welke verklaring niet strookt met de mededeling van haar buren, inhoudende dat betrokkene tegen hen had gezegd dat zij half januari 2003 terug zou komen van vakantie in Suriname. De korpsbeheerder heeft overigens geen ziekmelding van betrokkene uit Suriname ontvangen. De mededeling van betrokkene dat zij niet in staat was om naar Nederland te bellen omdat de verbindingen slecht waren moet als ongeloofwaardig worden aangemerkt reeds omdat betrokkene, zoals zij heeft verklaard, in dezelfde periode wel in staat was om met een tante in Nederland te bellen.

5.6. De korpsbeheerder heeft zijn besluit voorts onder meer gebaseerd op een voorval in december 2002 dat verband hield met de afwezigheid van betrokkene wegens de ziekte van haar zoontje. Betrokkene heeft betwist dat door haar leidinggevende tegen haar is gezegd dat zij op 11 december 2002 weer op het werk aanwezig had moeten zijn. De Raad acht het echter met de korpsbeheerder aannemelijk dat betrokkene slechts voor twee dagen, te weten 9 december en 10 december 2002, zorgverlof is verleend. Anders valt niet te verklaren waarom betrokkene op 11 december 2002 naar haar werk heeft gebeld met de mededeling dat zij nog geen oplossing had gevonden en dus nog thuis zou blijven. Vaststaat dat betrokkene op 11 december 2002 niet met haar leidinggevende heeft gebeld over het voortduren van haar afwezigheid. Gelet op het feit dat betrokkene ermee bekend was dat de leidinggevende over het verlenen van zorgverlof ging, zij op de hoogte was van de 24-uurs bereikbaarheid van haar leidinggevende en zij op 9 december 2002 wel contact had opgenomen met haar leidinggevende, wist betrokkene dan wel had zij in redelijkheid moeten weten dat zij op 11 december 2002 wederom contact had moeten opnemen met haar leidinggevende. Betrokkene kon niet volstaan met de enkele mededeling aan een collega dan wel collega’s van de afdeling dat zij geen opvang had en thuis bleef. De stelling van betrokkene dat zij op 11 december 2002 niet door haar collega Balvers is gesommeerd om op het werk te verschijnen, waardoor betrokkene meende dat haar verzoek om verlof gehonoreerd was, kan de Raad niet volgen. Balvers had geen leidinggevende of coördinerende taken en kon dus betrokkene ook niet sommeren om op het werk te verschijnen.

5.7. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat betrokkene niet de normale uit een dienstverband voortvloeiende verplichtingen in acht heeft genomen en dat zij in het bijzonder door haar niet open en oneerlijke opstelling heeft getoond niet te beschikken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling welke zijn vereist voor het op een goede wijze vervullen van haar functie. De korpsbeheerder was derhalve bevoegd om haar om die reden te ontslaan. De Raad ziet geen omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Betrokkene heeft elementaire normen van integriteit, openheid en eerlijkheid geschonden waarvan de noodzaak tot naleving niet eerst uitdrukkelijk en onder dreiging met ontslag onder de aandacht behoeft te worden gebracht voordat, in geval van herhaling, het dienstverband wegens ongeschiktheid kan worden beëindigd.

De buitenfunctiestelling

5.8. Volgens vaste jurisprudentie is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een ordemaatregel als buitenfunctiestelling niet beslissend of de juistheid van de gegevens die aanleiding vormden tot het treffen van die maatregel onbetwist vaststaat, maar of die gegevens van dien aard en ernst zijn dat daaraan redelijkerwijs de conclusie kon worden verbonden dat de ambtenaar niet kon worden gehandhaafd in zijn functie.

5.9. Aan het besluit tot buitenfunctiestelling is ten grondslag gelegd dat betrokkene tot tweemaal toe niet op de afgesproken data op haar werk is verschenen, waardoor het noodzakelijk in haar te stellen vertrouwen ernstig was ondermijnd en een besluitvormingstraject zou worden opgestart met betrekking tot de rechtspositie van betrokkene. De Raad is van oordeel dat de korpsbeheerder gelet op hetgeen bekend was, in redelijkheid tot een buitenfunctiestelling van betrokkene heeft kunnen overgaan. Dat deze buitenfunctiestelling nadien niet door een schorsing is gevolgd, maakt dit, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet anders.

Het niet (tijdig) gevolg geven aan de opdracht van de rechtbank

5.10. Namens betrokkene is ter zitting het beroep tegen het niet (tijdig) door de korpsbeheerder gevolg geven aan de door de rechtbank gegeven opdracht een nieuw besluit te nemen ingetrokken, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

HD

15.11