Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05-6151 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Teveel betaalde uitkering.Herziening terugvordering en bepaling teruggevorderde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6151 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 augustus 2005, 04/1724, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 18 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J.G. Vandenberghe, advocaat te

’s-Hertogenbosch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.G.E. Alberti, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties bv.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Na afloop van een tijdelijke aanstelling bij de Immigratie en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie is aan appellant met ingang van 1 november 2000 een werkloosheidsuitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966 (UR) toegekend. Deze uitkering is ingaande 1 april 2001 enige tijd opgeschort geweest wegens ziekte van appellant, gedurende welke periode appellant eveneens op grond van de UR een ziekte- uitkering ontving.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2003, nr. 2034049/00007, verzonden op 22 oktober 2003, is aan appellant meegedeeld dat het recht op uitkering wegens ziekte wordt beëindigd met ingang van 29 maart 2002 en dat de werkloosheidsuitkering wordt hervat en vastgesteld als volgt:

-van 29/03/2002 tot 29/04/2002 70% van de laatstgenoten bezoldiging,

-van 29/04/2002 tot 29/04/2003 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.3. Bij besluit van 17 december 2003, nr. 2034049/00013, verzonden op 23 december 2003, is het besluit van 15 oktober 2003 herzien en is aan appellant meegedeeld dat het recht op uitkering wegens ziekte wordt beëindigd met ingang van 27 april 2001 en dat de werkloosheidsuitkering wordt hervat en vastgesteld als volgt:

-van 27/04/2001 tot 27/05/2001 70% van de laatstgenoten bezoldiging,

-van 27/05/2001 tot 27/05/2002 70% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.4. Bij besluit van 14 januari 2004 is aan appellant meegedeeld dat hij over de periode van 27 april 2001 tot en met 27 mei 2002 teveel en over de periode van 27 mei 2002 tot en met 31 december 2003 ten onrechte uitkering heeft ontvangen. Het bedrag van

€ 27.611,77 wordt van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij het bestreden besluit van 25 mei 2004 heeft de minister in bezwaar de terugvordering herzien en het teruggevorderde bedrag nader bepaald op € 4.041,53, zijnde het bedrag van de ten onrechte uitbetaalde uitkering over de maanden oktober, november en december 2003.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe in de aangevallen uitspraak overwogen dat het appellant na 22 oktober 2003 redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het recht op uitkering was geëindigd op 29 april 2003 en dat de betalingen die hij na 22 oktober 2003 nog heeft ontvangen in de maanden november en december 2003, derhalve onverschuldigd werden betaald. Het had volgens de rechtbank op appellants weg gelegen om, voorzover hem een en ander niet duidelijk was, bij het uitvoeringsorgaan UWV nadere informatie in te winnen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat [naam broer], zijn broer, eind oktober 2003 voor hem telefonisch contact heeft gezocht met het UWV en dat daarbij is meegedeeld dat nog werd nagegaan of appellant mogelijk aanspraak zou hebben op een andere uitkering. Appellant blijft van mening dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk had moeten zijn dat hem ten onrechte over de maanden oktober, november en december 2003 een uitkering werd verstrekt.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Zoals de rechtbank reeds met juistheid heeft overwogen is een bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50) op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd om tot terugvordering van teveel betaalde bedragen over te gaan, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel hetgeen aan betrokkene onverschuldigd is betaald gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.

4.2. Hoewel de ontvangst van een groot aantal besluiten in een korte periode het appellant niet gemakkelijk maakte, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant na ontvangst van het onder 1.2. genoemde besluit van 15 oktober 2003 redelijkerwijs moet hebben begrepen dat zijn recht op uitkering op grond van de UR reeds geëindigd was. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij het toen, na ontvangst van het besluit, wel vreemd vond dat de betalingen van de uitkering gewoon doorgingen.

4.3. Voorts heeft de broer van appellant, die beroepshalve geregeld van doen had met UWV-kwesties, ter zitting van de Raad onder meer verklaard dat hij in de telefonische contacten die hij namens appellant eind oktober met UWV heeft gehad, heeft vernomen dat de ziekte-uitkering, waarop door overschrijding van de daarvoor geldende maximum-termijn reeds langere tijd geen aanspraak meer bestond, niet kon worden gestopt, totdat er een beslissing over de aanspraak op WAO was genomen. Het in dat telefoongesprek door appellants broer gedane verzoek om de uitkering stop te zetten kon om die reden niet worden ingewilligd. Ook hieruit blijkt dat appellants broer, en dus ook appellant zelf, vanaf eind oktober 2003 heeft beseft dat de einddatum van het recht op werkloosheids-uitkering op grond van de UR reeds lang verstreken was en dat de na deze datum nog ontvangen uitkering de ziekte-uitkering op grond van de UR betrof, die ten onrechte nog steeds werd uitbetaald.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.