Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7626

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05/3491 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dictum uitspraak rechtbank als beroepsgrond niet slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3491 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wondende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 mei 2005, 04/849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het besluit van het Uwv van 4 november 2004 (bestreden besluit), waarbij is gehandhaafd het besluit van 11 augustus 2003, bij welk besluit het dagloon waarnaar de aan appellant toegekende uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt berekend per 1 januari 2003 is vastgesteld op € 158,13.

Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“1. Eiser is als machinist werkzaam geweest bij [werkgeefster] te Antwerpen. Per 1 januari 2003 is deze arbeidsovereenkomst beëindigd.

2. In verband met dit ontslag heeft verweerder aan eiser bij besluit van 8 januari 2003 per 1 januari 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend waarbij het WW-dagloon is vastgesteld op € 147,71. Het bedrag is samengesteld uit € 136,77 (basisloon) en € 10,94 (vakantietoeslag). Bij de berekening is uitgegaan van een basisloon van € 2974,72 per maand.

3. Eiser heeft tegen genoemd besluit bezwaar gemaakt waarbij hij onder meer heeft aangevoerd dat verweerder bij de berekening van het dagloon van een te laag basisloon per maand is uitgegaan.

4. Bij besluit op bezwaar van 14 maart 2003 heeft verweerder het besluit van 8 januari 2003 gehandhaafd onder aanpassing van het WW-dagloon op € 155,16. Het bedrag is samengesteld uit € 136,77 (basisloon), € 9,30 (vakantietoeslag) en € 9,09 (dertiende maand). Bij de berekening is wederom uitgegaan van een basisloon van € 2974,72.

5. Eiser heeft tegen dit besluit op bezwaar verder geen rechtsmiddelen aangewend.

6. Eiser heeft bij brief van 23 juli 2003 wel verzocht om een herberekening, omdat verweerder volgens eiser ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden met het per 1 juli 2003 gewijzigde beleid op grond waarvan het dagloon van een grensarbeider dient te worden berekend alsof er over de vakantieperiode loon wordt betaald.

7. Dit verzoek van eiser heeft geleid tot een herberekening van de vakantietoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft verweerder vervolgens het WW-dagloon nader vastgesteld op € 158,13. Het bedrag is samengesteld uit € 136,77 (basisloon), € 12,27 (vakantietoeslag) en € 9,09 (dertiende maand). Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is met de besluiten op bezwaar van 18 december 2003 en 29 december 2003 ongegrond verklaard.

8. Tegen deze besluiten heeft eiser beroep ingesteld.

De rechtbank heeft dit beroep op 20 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen het door verweerder gehanteerde basisloon van

€ 2974,72 per maand en voor het overige gegrond verklaard.

De rechtbank heeft dit beroep deels niet-ontvankelijk verklaard omdat, nu eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit op bezwaar van 14 maart 2003, in rechte vaststaat dat aan het WW-dagloon van eiser een basisloon van € 2974,72 ten grondslag ligt.

9. Op 4 november 2004 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar (het thans bestreden besluit) genomen waarbij verweerder het dagloon wederom heeft vastgesteld op € 158,13, alhoewel na herberekening is gebleken dat eiser recht heeft op een dagloon van € 157,93. Laatstgenoemd bedrag is samengesteld uit € 136,77 (basisloon), € 12.08 (vakantietoeslag) en € 9,08 (dertiende maand).

10. Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen.

11. De rechtbank overweegt als volgt.

12. De rechtbank leidt uit het beroepschrift van eiser af dat eisers enige grief is dat - omdat het totale loon over 2002 € 44.752,98 heeft bedragen - van een te laag basisloon per dag is uitgegaan. Volgens eiser dient dit basisloon (inclusief 13e maand) te worden vastgesteld op € 171,47.

13. Zoals de rechtbank reeds in haar uitspraak van 20 juli 2004 heeft overwogen staat in rechte vast dat het WW-dagloon is gebaseerd op een basisloon per maand ad € 2974,72. Met dit oordeel staat behalve het basisloon per maand ook het basisloon per dag van € 136,77 in rechte vast.

Hiertegen kan derhalve niet alsnog in beroep worden opgekomen. Het beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.”

Ook in hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het basisloon waarvan het Uwv is uitgegaan.

Aan een beoordeling hiervan komt de Raad echter niet toe en wel op grond van het volgende.

Zoals uit het vorenstaande blijkt is het bestreden besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 20 juli 2004. Nu appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, stond voor de rechtbank en staat voor de Raad ter beoordeling of het Uwv op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak. Bij haar uitspraak van 20 juli 2004 heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellant niet in beroep is gekomen van het besluit van 14 maart 2003, in rechte vaststaat dat aan het WW-dagloon een basissalaris van € 2.974,72 ten grondslag ligt. Hieruit volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit uit mocht gaan van dit basissalaris. Dit heeft het Uwv ook gedaan. Aldus heeft het Uwv op dit punt een juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van

20 juli 2004. Al hetgeen appellant heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen. De Raad overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat het Uwv voor het overige geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 20 juli 2004. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant niet.

Het hiervoor overwogene neemt evenwel niet weg dat de Raad zich niet kan verenigen met de niet-ontvankelijkverklaring waartoe de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is gekomen. Ingeval een beroepsgrond niet kan slagen, om welke reden dan ook, waaronder begrepen dat die beroepsgrond ziet op een in rechte vaststaand feit of omstandigheid, past geen niet-ontvankelijkverklaring, doch een ongegrondverklaring. De Raad zal dan ook onder vernietiging van de aangevallen uitspraak doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskosten-veroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

PR/180107