Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
05-7302 WWB + 05-7303 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Schending inlichtingenverplichting. Onduidelijkheid over woon- en verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7302 WWB

05/7303 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2005, 05/4670, 05/4693 en 05/4699 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 december 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 1 maart 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. In het kader van een herbeoordeling van het recht van appellant op bijstand, is appellant uitgenodigd voor een gesprek bij de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam (SDA) op 7 juli 2005. Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het College het recht van appellant op bijstand met ingang van 7 juli 2005 opgeschort omdat appellant aan deze uitnodiging geen gevolg heeft gegeven. Vervolgens heeft de afdeling Controle & Opsporing van de SDA onderzoek verricht. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bezoeken afgelegd aan de woning van appellant, is een buurtonderzoek verricht, en is appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 juli 2005. Bij besluit van 4 augustus 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 1 juli 2005 beƫindigd, hoofdzakelijk op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting in het kader van de herbeoordeling van zijn uitkering. Daardoor bestaat volgens het College onduidelijkheid over de woon- en verblijfssituatie van appellant, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellant tegen het besluit van 22 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In een geval als het onderhavige, waarin het besluit tot toekenning van bijstand vanaf een in het verleden gelegen datum ongedaan wordt gemaakt, is er geen sprake van beƫindiging maar van intrekking van bijstand. Het College heeft de intrekking van de bijstand vanaf 1 juli 2005 niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juli 2005 tot en met 4 augustus 2005.

De voorzieningenrechter is tot het oordeel gekomen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat het recht van appellant op bijstand naar de norm voor gehuwden niet (langer) kan worden vastgesteld als gevolg van het feit dat appellant aan het College geen dan wel onvolledige of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter aangegeven in hoeverre onduidelijkheid bestond over de woon- en verblijfssituatie van de vrouw en de kinderen van appellant alsmede over de woonsituatie van appellant zelf op het door hem opgegeven adres, waaronder begrepen de inrichting van de woning en de daarin aangetroffen spullen, en in welke zin appellant tekort is geschoten in de naleving van zijn inlichtingenverplichting. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de voorzieningenrechter en de overwegingen waarop dat oordeel rust. Appellant heeft daartegenover in hoger beroep onvoldoende gesteld. Ook in hoger beroep heeft hij niet de nodige duidelijkheid kunnen verschaffen over zijn woon- en verblijfssituatie en die van de overige leden van zijn gezin tijdens de hier van belang zijnde periode.

De Raad heeft in de in hoger beroep aangevoerde omstandigheden geen grond kunnen vinden voor het standpunt van appellant dat sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek omdat zijn gebrekkige kennis van het Nederlands hem heeft verhinderd op adequate wijze te verklaren over zijn woon- en verblijfssituatie. Het College heeft daartegenover niet ten onrechte gesteld dat appellant, die al sinds 1991 in Nederland woont, niet heeft aangegeven dat hij behoefte had aan een tolk en dat appellant zijn ten overstaan van de ambtenaren van de SDA afgelegde verklaring heeft ondertekend nadat hij bij die verklaring had aangetekend - samengevat - dat hij de opgeschreven verklaring had begrepen en dat de inhoud van die verklaring overeen kwam met hetgeen hij mondeling had verklaard. Dat, zoals appellant nog heeft aangevoerd, sprake was van een moeizame communicatie met de betrokken ambtenaren maakt dat niet anders.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geheel voorbij is gegaan aan zijn klachten van psychiatrische aard waarvoor hij onder behandeling is en die door hem aan de orde zijn gesteld. Appellant heeft evenwel noch in beroep noch in hoger beroep enige onderbouwing van deze klachten gegeven aan de hand van objectieve medische gegevens waaruit zou moeten worden afgeleid dat de schending van de inlichtingenverplichting hem niet of slechts ten dele zou kunnen worden verweten.

Het voorgaande betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant over de in geding zijnde periode in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. In dat kader overweegt de Raad nog dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, aan het gegeven dat aan hem met ingang van 31 augustus 2005 bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande geen betekenis toekomt voor de hier in geding zijnde intrekking van de bijstand. In de eerste plaats gaat het in dit geding om intrekking van de bijstand die appellant naar de gehuwdennorm ontving. Voorts heeft de toekenning van de bijstand per 31 augustus 2005 plaatsgevonden naar aanleiding van een nieuwe aanvraag en berust deze toekenning op het resultaat van nader onderzoek naar het recht van appellant op bijstand.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P.C. de Wit.