Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-1550 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging volledige arbeidsverplichtingen in kader bijstandsuitkering. GGD-advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1550 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van30 januari 2006, 05/951 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Daarop is namens appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter, werkzaam bij de gemeente [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een heronderzoek naar het recht op bijstand heeft het College een onderzoek laten instellen naar de mogelijkheden van appellant om arbeid te verrichten. Daarbij heeft het College advies gevraagd aan de GGD Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD). De conclusie van het op 15 september 2004 door de GGD uitgebrachte advies is dat appellant arbeidsgeschikt wordt geacht met enkele beperkingen ten aanzien van lawaaibelasting, overmatig licht en het heffen en/of tillen van gewichten groter dan 15 kilogram per keer. Op grond van het advies heeft het College bij besluit van en met ingang van 8 oktober 2004 aan appellant de volledige arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB opgelegd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

12 april 2005 ongegrond verklaard. Zij overwoog onder meer dat de arbeids-verplichtingen rechtstreeks uit de wet voortvloeien en in beginsel gelden voor een ieder die aanspraak maakt op een uitkering ingevolge de WWB. De in het besluit op bezwaar vervatte mededeling heeft de rechtbank opgevat als een impliciete weigering om appellant, gegeven zijn medische beperkingen, geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB. Zij kwam tot het oordeel dat niet is gebleken dat het onderzoek van de GGD onzorgvuldig of onvolledig is geweest, dat het College de conclusies uit dit onderzoek aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en dat het College bij of krachtens de WWB niet gehouden is om uitputtend aan te geven welke werkzaamheden appellant, rekening houdend met diens beperkingen, nog kan verrichten.

Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Het tweede lid van artikel 9 van de WWB biedt het College de mogelijkheid in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het na bezwaar gehandhaafde besluit van het College met juistheid gekwalificeerd als een impliciete weigering om ten aanzien van appellant toepassing te geven aan artikel 9, tweede lid, van de WWB. De Raad is verder van oordeel dat het College op basis van het door de GGD uitgebracht advies op goede gronden geen dringende redenen aanwezig heeft geacht om appellant tijdelijk van die verplichtingen te ontheffen. Gesteld noch gebleken is van dringende redenen om ten aanzien van appellant toepassing te geven aan artikel 9, tweede lid, van de WWB. Dat bij hem arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld brengt niet mee dat hij om medische redenen buiten staat is tot het verrichten van arbeid.

De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat in de WWB of de daarop rustende regelgeving geen bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het College gehouden is om bij een besluit als het onderhavige uitputtend aan te geven welke werkzaamheden appellant, rekening houdend met diens beperkingen, nog kan verrichten.

Namens het College is in dit verband verklaard dat in het kader van het voor appellant op te stellen re-integratietraject rekening zal worden gehouden met diens beperkte belastbaarheid.

Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en

N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.