Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-2048 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering en voorziening. Getroffen door oorlogsgeweld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2048 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namen appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

28 februari 2006, kenmerk JZ/060/2006 heeft verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Heilhof, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Namens appellante is ter zitting verzocht de behandeling van de zaak aan te houden ten einde alsnog [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te doen horen alsmede om kennis te kunnen nemen van de sociale rapportages die in het kader van aanvragen van deze getuigen zijn opgemaakt en in het bezit zijn van verweerster. De Raad heeft onvoldoende termen aanwezig geacht om aan dit verzoek te voldoen. De Raad is van oordeel dat de gemachtigde van appellante in een eerder stadium van de procedure had kunnen trachten deze stukken te verkrijgen en acht zich voorts, gelet op de omstandigheid dat zich van bovengenoemde getuigen reeds verklaringen in het dossier bevinden, met de aanwezige stukken voldoende voorgelicht.

Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt de Raad het volgende.

Appellante, geboren in juni 1932 te Kotaradja in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van de toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen. Die aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Zij heeft daarbij gesteld dat zij zich zowel in de oorlogsperiode als na de capitulatie van Japan bevond in het Kloosterkamp te Bogor.

Verweerster heeft die aanvraag bij besluit van 27 juni 2005 afgewezen, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

Verweerster heeft daarbij overwogen dat het Kloosterkamp slechts gedurende een zeer korte periode, te weten van 14 tot 18 oktober 1945, de status van extremistenkamp heeft gehad en dat niet is komen vast te staan dat appellante in die periode in het Kloosterkamp heeft verbleven.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Dat appellante gedurende enige periode in het Kloosterkamp heeft verbleven, wordt door verweerster niet betwist. Het geschil beperkt zich tot de vraag of kan worden aangenomen dat appellante zich juist in de periode van 14 tot 18 oktober 1945 in het Kloosterkamp heeft bevonden.

Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling dat zij in genoemde periode wel degelijk in het kloosterkamp verbleef een aantal getuigen naar voren gebracht.

Met betrekking tot de verklaring van [getuige 3] stelt verweerster zich op het standpunt dat deze, gelet op de historische onduidelijkheden in deze verklaring, niet als een bevestiging kan worden beschouwd van het verblijf gedurende laatstgenoemde periode. De Raad kan zich daarmee verenigen. Uit de verklaring van deze getuige komt naar voren dat hij niet uit eigen waarneming een verblijf van appellante juist in deze periode kan bevestigen.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij in de periode van september 1945 tot februari 1946 in genoemd klooster hebben verbleven en dat zij in deze periode appellante hebben leren kennen, maar dit is, aldus verweerster, niet een bevestiging dat zij ook in de week van 14 tot

18 oktober 1945 daadwerkelijk in het klooster verbleef.

Gelet op de omstandigheid dat uit de eigen verklaring van appellante geen bijzonderheden naar voren komen met betrekking tot de snelle machtswisseling van de leiding van het kamp en voorts uit de verklaringen van de zuster van appellante zou kunnen worden afgeleid dat de komst van het gezin naar het kamp ná oktober 1945 geplaatst moet worden, kan de Raad het oordeel van verweerster op dit punt niet onjuist achten.

Met inachtneming van het voorgaande kan de Raad uit de gedingstukken, tezamen en in onderling verband bezien, niet afleiden dat appellante in de periode 14 tot 18 oktober 1945 in het Kloosterkamp heeft verbleven, zodat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat zich ten aanzien van appellante een calamiteit heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Gezien het vorenstaande kan het beroep van appellante niet slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.