Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-2330 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Niet voldaan aan nationaliteits- en territorialiteitseisen. Anti-hardheidsbepaling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2330 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] wonende te [woonplaats] Australiƫ (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

30 december 2005, kenmerk JZ/C60/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in februari 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering.

Verweerster heeft bij besluit van 28 juli 2005 afwijzend op de aanvraag beslist, op de grond dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld, maar niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde nationaliteits- en territorialiteitseisen terwijl geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de in artikel 3, zesde lid, van de Wet gegeven bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid aan deze eisen voorbij te gaan.

Verweerster heeft dat besluit - na daartegen gemaakt bezwaar - gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat appellante niet voldoet aan de ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet geldende vereisten dat degene die als burger is getroffen door oorlogsgeweld de Nederlandse nationaliteit bezit en op de datum van de aanvraag hier te lande gevestigd is. Deze vereisten vloeien voort uit het bij de totstandkoming van de Wet vastgestelde uitgangspunt dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslachtoffers die aan de Wet ten grondslag ligt, een naar woonland en nationaliteit beperkte reikwijdte heeft.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet kan verweerster de Wet tevens van toepassing verklaren op degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of daarna als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, doch niet aan evenvermelde eisen voldoet, indien het niet toepassen van de Wet zou leiden tot een klaarblijkelijke hardheid.

De bij artikel 3, zesde lid, van de Wet aan verweerster verleende bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat de Raad een weigering van verweerster om van deze bevoegdheid gebruik te maken als juist dient te aanvaarden, tenzij moet worden gezegd dat verweerster, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

Zoals namens verweerster ter zitting nader is toegelicht, hanteert verweerster in die gevallen waarin een betrokkene niet meer beschikt over de Nederlandse nationaliteit - en bovendien buiten Nederland gevestigd is - bij het uitoefenen van eerdergenoemde bevoegdheid het uitgangspunt dat de oorzaak van het niet (meer) in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit moet zijn gelegen in zeer bijzondere omstandigheden.

De Raad acht, gelet op het hiervoor weergegeven uitgangspunt van de Wet, de (zeer) restrictieve wijze waarop verweerster in dezen gebruik maakt van haar bevoegdheid tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling niet onaanvaardbaar.

Appellante heeft aangevoerd dat zij destijds (in 1980) geen andere keuze had dan de Australische nationaliteit aan te nemen, om zo in aanmerking te kunnen komen voor een baan bij de Australische posterijen.

Verweerster heeft in de situatie van appellante geen aanleiding gezien om de anti-hardheidsbepaling toe te passen.

Naar het oordeel van de Raad kan de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling de aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. De Raad is met verweerster van oordeel dat uit hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd niet blijkt van een zeer bijzondere omstandigheid, aangezien het aannemen van de Australische nationaliteit ziet op een eigen keuze van appellante. Dat dit verband heeft gehouden met het verkrijgen van werk maakt het naar het oordeel van de Raad niet anders.

Van andere zeer bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven tot toepassing van de in artikel 3, zesde lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling, is de Raad niet gebleken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.