Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-2502 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WUV-uitkering te hoog vastgesteld? Bijstelling en terugvordering. Inkomsten uit Oorlogsongevallenregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2502 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 31 maart 2006, kenmerk JZ/U80/2006, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Aldaar is appellante, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1939, vervolgde en uitkerings-gerechtigde ingevolge de Wet.

Bij de voorlopige berekening van de appellante over het jaar 2004 toekomende periodieke uitkering is geen rekening gehouden met de inkomsten van appellante uit de haar bij besluit van 15 november 2004 ingaande 1 februari 2004 toegekende, en bij uitvoeringsbesluit van 7 april 2005 vastgestelde uitkering ingevolge de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR). Dit heeft bij, voor het jaar 2004 definitieve, berekeningsbeschikking van 30 november 2005 en het daarbij behorende nader bericht van dezelfde datum geleid tot een negatieve bijstelling van de over 2004 voorlopig berekende periodieke uitkering en tot terugvordering van het over dat jaar teveel betaalde bedrag van € 4.869,92.

Het door appellante tegen deze bijstelling en terugvordering ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In haar beroepschrift heeft appellante aangevoerd - kort samengevat - dat het haar niet kan worden aangerekend dat haar periodieke uitkering aanvankelijk op een te hoog bedrag werd vastgesteld. Met name heeft appellante erop gewezen dat zij van het uitvoeringsorgaan van de AOR had begrepen dat er geen problemen zouden ontstaan rondom de samenloop van de AOR-uitkering en haar periodieke uitkering ingevolge de Wet.

In dit geding is aan de orde de vraag of, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend.

Ingevolge artikel 59a, eerste en tweede lid, van de Wet draagt de administratieve uitwerking van een beschikking van verweerster in een berekeningsbeschikking een voorlopig karakter en wordt deze in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin die berekeningsbeschikking is afgegeven definitief vastgesteld. Hetgeen na definitieve vaststelling blijkt teveel te zijn uitbetaald dient te worden teruggevorderd.

De Raad stelt vast dat de definitieve vaststelling van de aan appellante over het jaar 2004 toekomende periodieke uitkering overeenkomstig deze bepalingen heeft plaatsgevonden. Nu uit die vaststelling bleek dat aan appellante teveel is uitbetaald, ontstond daarmee voor verweerster de wettelijke verplichting om tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan. De vraag of terzake aan appellante enig verwijt kan worden gemaakt is hierbij - anders dan bij de, nu niet aan de orde zijnde, figuur van herziening ten nadele van een eerder besluit als geregeld in artikel 61a van de Wet - niet relevant. Ook eventuele mededelingen aan appellante door het uitvoeringsorgaan van de AOR kunnen niet afdoen aan de wettelijke verplichtingen die verweerster heeft als uitvoeringsorgaan van de Wet.

Hetgeen appellante overigens - bij nader schrijven aan de Raad van 5 augustus 2006 - nog heeft aangevoerd, betreft andere berekeningsbeschikkingen over een ander onderwerp en treedt derhalve buiten de grenzen van het nu voorliggende geding. De Raad kan daarover dan ook geen oordeel geven.

Gezien het voorgaande kan het beroep van appellante niet slagen.

De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.