Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-2755 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Beleid. Absolute verhindering gebruik te maken van taxi?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2755 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

28 april 2006, kenmerk JZ/I/70/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1937, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is hem, onder meer, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een vergoeding van de kosten verbonden aan vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toegekend.

In september 2004 heeft appellant bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn psychische klachten geen gebruik kan maken van een taxi omdat hij geen vertrouwen heeft in taxichauffeurs, maar alleen zelf de auto wil besturen.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 maart 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder overweging - samengevat - dat deze voorziening niet medisch is geïndiceerd nu bij appellant geen sprake is van een totale beperking om per taxi te reizen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Naar vaste rechtspraak van de Raad is, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde voorziening indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 32 en 33 van de Wet.

Tussen partijen is niet in geschil dat het voor appellant in verband met zijn psychische oorlogsinvaliditeit niet mogelijk is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Partijen verschillen van inzicht over de vraag of deze oorlogsinvaliditeit appellant ook verhindert om gebruik te maken van een taxi.

Het standpunt van verweerster dat bij appellant geen sprake is van een absolute verhindering om van een taxi gebruik te maken, is in overeenstemming met het medisch advies van haar geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, welk advies berust op het rapport van een op verzoek van verweerster door de psychiater C.M.M. Vleugels ingesteld medisch onderzoek van appellant. Deze psychiater komt op grond van een specifiek daartoe gericht onderzoek tot de conclusie dat appellant niet buiten staat is te achten gebruik te maken van een taxi.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische rapportage deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het aan deze rapportage door verweerster ontleende standpunt onjuist te oordelen.

Voor zover namens appellant grieven zijn ingebracht met betrekking tot het onderzoek van de psychiater Vleugels overweegt de Raad dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door deze psychiater dan wel aan de juistheid van diens bevindingen en conclusies. Van de kant van appellant zijn ook geen medische gegevens ingebracht die daarop een ander licht kunnen werpen.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.