Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
06-3281 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering periodieke uitkering als weduwe (van WUV-gerechtigde). Duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3281 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesiƫ) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 24 maart 2006, kenmerk JZ/W60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. Aldaar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door

mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante in juli 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [naam betrokkene], hierna: betrokkene, die is overleden op 4 juni 2005.

Bij besluit van 13 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Hierbij is overwogen dat appellante voor de toepassing van de Wet niet kan worden aangemerkt als weduwe van betrokkene, aangezien zij op het moment van overlijden van betrokkene duurzaam van hem gescheiden leefde.

Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat zij weliswaar gescheiden leefde van betrokkene, maar nog steeds wettig gehuwd was en voorts dat betrokkene kort voor zijn dood heeft aangegeven opnieuw bij haar in [woonplaats] te willen gaan wonen.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt voor de toepassing van de Wet als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat appellante al een groot aantal jaren gescheiden leeft van betrokkene en voorts dat betrokkene met een nieuwe partner is gaan samenleven en voor toepassing van de Wet door verweerster al sedert 1999 wordt aangemerkt als gehuwd met deze partner. Onder deze omstandigheden kan de Raad het gescheiden leven van appellante en betrokkene niet anders dan als duurzaam aanmerken. De omstandigheid dat betrokkene mogelijk de wil kan hebben gehad het gescheiden leven te beƫindigen doet dit niet anders zijn, nu deze wil voor zijn overlijden niet is gerealiseerd.

Gelet op het bepaalde in voormeld artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet moet dan ook worden vastgesteld dat eiseres voor toepassing van de Wet als ongehuwd moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat het huwelijk tussen betrokkene en appellante nooit wettig is ontbonden kan niet tot een ander oordeel leiden, daar voor toepassing van de Wet de feitelijke en niet de juridische situatie bepalend is.

Verweerster heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat appellante geen recht kan doen gelden op een uitkering als weduwe van de vervolgde.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.