Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
06-4854 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief wel is aan te merken als een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4854 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2006, 05/6306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[werkgever] (hierna: werkgever).

Datum uitspraak: 30 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft appellant aan [ex-werknemer], ex-werknemer bij de werkgever (hierna: werknemer), met ingang van 11 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

De werkgever heeft aan appellant toestemming gevraagd om per 1 juli 2004 eigen risicodrager als bedoeld in artikel 75a van de WAO te worden. Appellant heeft die toestemming verleend.

Bij brief van 31 januari 2005 heeft appellant aan de werkgever bericht dat zij ingevolge artikel 75a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO met ingang van 1 juli 2004 de aan de werknemer toegekende WAO-uitkering dient te betalen.

De werkgever heeft tegen die brief bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van

30 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) door appellant ongegrond is verklaard.

De werkgever is tegen het bestreden besluit in beroep gekomen bij de rechtbank Rotterdam.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bezwaar van de werkgever tegen de brief van 31 januari 2005 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het daarbij niet gaat om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

De werkgever kan wel bezwaar maken tegen het besluit waarbij de WAO-uitkering aan de werknemer is toegekend. Voorts heeft de werkgever de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het besluit ex artikel 75a, vierde lid, van de WAO. Dit is een besluit waarbij appellant de WAO-uitkering verhaalt op de eigen risicodrager als die heeft nagelaten om de uitkering te betalen (het zogeheten ‘verhaalsbesluit’). De brief van 31 januari 2005 bevat volgens de rechtbank slechts informatie over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van een WAO-uitkering aan een ex-werknemer en mist naast het verhaalsbesluit zelfstandige betekenis.

De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank bestreden. De brief aan een eigen-risicodragende werkgever waarin is vermeld dat deze de WAO-uitkering van een bepaalde werknemer moet gaan betalen is volgens appellant wel degelijk een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing is gericht op rechtsgevolg omdat

-aldus appellant- een expliciete toerekening van de uitkering aan de werkgever nodig is om een concrete betalingsverplichting in het leven te roepen. Ook uit het oogpunt van rechtsbescherming moet de werkgever tegen zo’n ‘toerekeningsbesluit’ een rechtsmiddel kunnen aanwenden.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat een brief aan een werkgever, bevattende informatie over de gevolgen van het eigenrisicodragerschap na toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex)werknemer moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting.

De Raad heeft dit eerder overwogen in zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN AZ0127, gepubliceerd in USZ 2006, 330, naar welke uitspraak wordt verwezen. Tegen een dergelijke brief staat dus bezwaar en beroep open.

Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, opdat in twee instanties geoordeeld kan worden over de inhoudelijke aspecten van de zaak.

De Raad zal aan dit verzoek voldoen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. De Raad voegt hieraan toe dat het aan de rechtbank is om opnieuw te beslissen over de proceskosten van de werkgever in beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Rotterdam.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.Westerink-Hendriks als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A. Westerink-Hendriks.

JL