Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
05-159 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief was geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Rechtbank heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:2a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/159 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 november 2004, 03/1033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.M. van de Laar, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2006.

Namens appellante is verschenen mr. Van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Houtbeckers.

II. OVERWEGINGEN

Uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene) die in het verleden een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen, op 9 juni 1997 in dienst is getreden van appellante en dat deze arbeidsovereenkomst per 1 april 2001 door de kantonrechter is ontbonden. Naar aanleiding van de bij hem op 16 november 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid is aan betrokkene met ingang van 15 november 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het door appellante tegen het betreffende besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 januari 2000 ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 juni 2000 heeft appellante na ontdekking van het WAO-verleden van betrokkene het Uwv verzocht om haar over de op 11 november 1998 aangevangen periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid ziekengeld uit te keren. Bij brief van 23 mei 2001 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat dit verzoek werd afgewezen omdat betrokkene geen toestemming had verleend tot toekenning van ziekengeld. Onder overweging dat voormelde brief van 23 mei 2001 geen besluit is, is het daartegen gerichte bezwaar van appellante bij besluit van 21 december 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2002 heeft de rechtbank, overwegende dat appellante niet kon worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het besluit van 21 december 2001 vernietigd.

Appellante heeft bij brief van 6 januari 2003 aan het Uwv verzocht een nieuw besluit over de aanspraak op ziekengeld te nemen.

Naar aanleiding van een brief van het Uwv van 20 januari 2003 heeft betrokkene het Uwv laten weten dat hij niet meer in aanmerking wilde komen voor ziekengeld.

Op 24 januari 2003 heeft het Uwv deze mededeling schriftelijk aan betrokkene bevestigd. Van deze brief is op 24 januari 2003 een afschrift gezonden aan appellante.

Het door appellante op 17 februari 2003 ingediende bezwaarschrift, gericht tegen de in de brief van 24 januari 2003 vervatte mededeling, is bij besluit van 17 juni 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in de brief van 24 januari 2003 geen rechtsgevolg ligt besloten, nu hierin op geen enkele wijze een besluit wordt genomen over het recht op ziekengeld voor de werknemer. De rechtbank zag in die brief evenmin een schriftelijke weigering om een besluit te nemen.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Voormelde brief van 24 januari 2003 van het Uwv bevat slechts de bevestiging van de mededeling van betrokkene dat hij geen aanspraak wilde maken op ziekengeld. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 juni 2005 (LJN:AT8031) is de Raad van oordeel dat die bevestiging niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en mitsdien niet als een besluit in de zin van dat artikel. Aan de bevestiging van die mededeling van betrokkene is naar zijn aard geen door het bestuursorgaan beoogd rechtsgevolg verbonden. Nu betrokkene geen aanvraag om uitkering van ziekengeld heeft ingediend, kan hier ook niet worden gesproken van een schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, onder a, van de Awb.

Aangezien geen bezwaar, als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan worden gemaakt tegen een beslissing die niet kan worden aangemerkt als een besluit - en ook geen sprake is van een schriftelijke weigering een besluit te nemen - is het bezwaar van appellante gericht tegen voormelde brief van 24 januari 2003 door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uispraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

JL