Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7468

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
05-3723 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op studiefinanciering. Vaststelling draagkracht gebaseerd op de van de belastingdienst ontvangen gegevens ter zake van het inkomen van betrokkene. Gebruik hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3723 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2005, 04/1898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 26 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam, heeft medegedeeld de belangen van betrokkene te behartigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006. Appellante was vertegenwoordigd door mr. T Holtrop. Betrokkene is verschenen bijgestaan door

mr. Sussenbach.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 december 2003 heeft appellante de draagkracht van betrokkene als bedoeld in artikel 6.10 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) voor het jaar 2004 vastgesteld op € 64,59 per maand. Appellante heeft zich bij de vaststelling gebaseerd op de van de belastingdienst ontvangen gegevens ter zake van het inkomen van betrokkene over het jaar 2002.

Bij besluit van 6 september 2004 heeft appellante het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 6 september 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2004 vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen. Een en ander met nadere beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat appellante bij de vaststelling van de draagkracht ten onrechte is afgegaan op de door de belastingdienst verstrekte gegevens en dat het besluit van 6 september 2004 is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft miskend dat appellante bij de vaststelling van de draagkracht op grond van de Wsf 2000 verplicht is uit te gaan van de inkomensgegevens verstrekt door de inspecteur van de belastingdienst.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6.11, eerste lid, van de Wsf 2000 – voor zover hier van belang – is maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van betrokkene als bedoeld in artikel 6.10 van de Wsf 2000 zijn gecorrigeerde verzamelinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.

Voorts is in dat artikellid bepaald – door middel van een verwijzing naar artikel 3.9, tweede lid, van de Wsf 2000 – dat indien ingevolge artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen aanslag wordt vastgesteld of een aanslag wordt vastgesteld waarbij verrekening van de loonbelasting achterwege blijft, het gecorrigeerde belastbare loon in de plaats van het gecorrigeerde verzamelinkomen treedt.

Op grond van het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 is de basis voor het gecorrigeerde verzamelinkomen – voor zover hier van belang – het verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de basis voor het gecorrigeerde belastbare loon het belastbare loon als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964.

De vaststelling van het verzamelinkomen en het belastbare loon geschiedt op grond van het bepaalde in artikel 1.6 van de Wsf 2000 op verzoek van appellante door de inspecteur der rijksbelastingen (inspecteur).

In artikel 6.11 van de Wsf 2000 is voor appellante de verplichting opgenomen om de draagkracht van betrokkene vast te stellen op basis van het – op voorgeschreven wijze te corrigeren – verzamelinkomen, dan wel op basis van het – op voorgeschreven wijze te corrigeren – belastbare loon. Aan appellante is in dit artikel geen enkele ruimte geboden om bij deze berekening niet ten grondslag te leggen het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen dan wel het belastbare loon.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank mitsdien ten onrechte tot het oordeel gekomen dat appellante bij de vaststelling van de draagkracht niet zonder eigen onderzoek te verrichten heeft mogen uitgaan van de door de inspecteur vastgestelde en verstrekte gegevens.

De Raad wijst er volledigheidshalve op dat de door het College van beroep studiefinanciering op basis van artikel 42 van de Wet op de studiefinanciering gevormde jurisprudentie ter zake van de bij appellante bestaande eigen verantwoordelijkheid bij de vaststelling van inkomensgegevens die ten grondslag worden gelegd aan de bepaling van de draagkracht haar gelding onder de Wsf 2000 heeft verloren. De tekst en de systematiek van de Wsf 2000 bieden geen grondslag voor het voortzetten van deze jurisprudentie.

De Raad overweegt voorts het volgende.

De omstandigheid dat de artikelen 6.10 en 6.11 van de Wsf 2000 appellante niet de mogelijkheid bieden om voor de vaststelling van de draagkracht uit te gaan van een ander bedrag dan meerbedoeld verzamelinkomen of belastbare loon laat onverlet dat appellante op grond van het bepaalde in artikel 11.5 van de Wsf 2000 de wet buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Appellante heeft geen aanleiding gezien deze hardheidsclausule in dit geval toe te passen.

Betrokkene heeft in bezwaar tegen het besluit van 6 december 2003 naar voren gebracht dat als gevolg van een fout van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam de aan hem in november 2001 uitbetaalde uitkering door de belastingdienst bij het jaarinkomen 2002 is geteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij aan appellante overgelegd een jaaropgave van de sociale dienst over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met

31 oktober 2001, een jaaropgave 2002 waarop is vermeld dat de opgave betrekking heeft op het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 1 januari 2002 en waarop een bedrag ter hoogte van een maand uitkering is vermeld, een jaaropgave 2001 en een jaaropgave 2002 van Maatwerk Amsterdam en een verklaring van de Sociale Dienst Amsterdam waarin is vermeld dat in het belastbare loon over 2002 een bedrag van € 1545,59 is opgenomen dat betrekking heeft op de maand november 2001.

Voorts heeft betrokkene overgelegd een brief van de gemeentelijk ombudsman Amsterdam waaruit eveneens blijkt dat het in november 2001 aan betrokkene uitbetaalde bedrag is verantwoord in de jaaropgave 2002, alsmede stukken die betrekking hebben op aan betrokkene verleende huursubsidie.

Uit deze laatste stukken blijkt dat de persoonlijke situatie waarin betrokkene verkeert aanleiding is geweest een uitzondering te maken en bij de vaststelling van het bedrag aan huursubsidie uit te gaan van de werkelijke inkomsten van betrokkene in 2002.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad voorts gebleken dat betrokkene heeft gepoogd te bewerkstelligen dat de inspecteur een en ander zou corrigeren en in overeenstemming zou brengen met de feitelijke gang van zaken.

Dit heeft echter niet tot succes geleid.

Appellante heeft de stelling van betrokkene dat de hoogte van zijn belastbare loon in 2002 is vervuild met een reeds in 2001 betaald bedrag aan uitkering over de maand november 2001 noch in het besluit van 6 september 2004, noch ter zitting bij de Raad met kracht van argumenten bestreden.

Evenmin is bestreden dat indien de draagkracht van betrokkene wordt vastgesteld op basis van het belastbare loon over 2002 zonder dat rekening wordt gehouden met de uitkering over de maand november 2001, dit leidt tot een aanzienlijk lagere draagkracht.

Appellante heeft voorts niet gesteld – en het is de Raad ook niet kunnen blijken – dat betrokkene ook maar enige schuld heeft aan de ontstane situatie.

Appellante heeft in het bestreden besluit volstaan met de overwegingen dat toepassing van het bepaalde in artikel 11.5 van de Wsf 2000 er niet toe kan leiden dat een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijke bepaling, indien toepassing van die wettelijke bepaling in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet en dat niet is gebleken van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden.

De Raad kan appellante hierin niet volgen.

De wetgever heeft met de artikelen 6.10 en 6.11 van de Wsf 2000 – door middel van een verwijzing naar de belastingwetgeving – de vaststelling van de draagkracht afhankelijk willen maken van de inkomsten die de gewezen student in een bepaald jaar heeft verworven.

Vast staat dat betrokkene in het van belang zijnde jaar 2002 een inkomen heeft verworven dat aanleiding geeft tot de vaststelling van een aanzienlijk lagere draagkracht dan door appellante is vastgesteld. Slechts als gevolg van de wijze waarop de sociale dienst van de gemeente Amsterdam de in 2001 uitbetaalde uitkering voor de maand november 2001 administratief heeft verwerkt geeft het door de inspecteur over 2002 vastgestelde inkomen een van de werkelijkheid afwijkend beeld. Juist voor zo een bijzondere situatie biedt artikel 11.5 van de Wsf 2000 een voorziening.

Met toepassing van dit artikel kan worden voorkomen dat uitvoering van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en kan recht worden gedaan aan hetgeen de wetgever heeft beoogd, namelijk het vaststellen van de draagkracht op basis van in een bepaald jaar verkregen inkomsten.

De in het besluit van 6 september 2004 opgenomen weigering om van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule gebruik te maken is onder de vorengeschetste omstandigheden een besluit waartoe appellante niet in redelijkheid heeft kunnen komen.

Het inleidend beroep tegen het besluit van 6 september 2004 is mitsdien gegrond. De aangevallen uitspraak komt – zij het op andere gronden – voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene gemaakt in hoger beroep, begroot op € 8,08 aan reiskosten en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand ter zitting van de Raad.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 330,08, aan betrokkene te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL