Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
05-7141 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen mededeling had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het geen besluit is in de zin van art. 1:3 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7141 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 november 2005, 05/826 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C. de Jong, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Veer, werkzaam bij de gemeente Woerden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 1 april 1997 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op verzoek van het College heeft Salto Integratie (Salto) een onderzoek gedaan naar de arbeidsmogelijkheden van appellant.

Het College heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gevonden appellant bij besluit van 20 juli 2004 te ontheffen van de verplichtingen om actief te zoeken naar werk in loondienst (a) en om passend werk te aanvaarden (c). In datzelfde besluit is onder het kopje ‘tijdelijke ontheffing’ het volgende overwogen:

”U bent vrijgesteld van a en c voor de duur van uw traject. U wordt binnenkort zo spoedig mogelijk door mijn collega van de afdeling Trajectbegeleiding.

U zult in eerste instantie worden bemiddeld naar vrijwilligerswerk (ongeveer 6 uur per week). Later zal er bekeken worden wat de mogelijkheden zijn om deze uren uit te breiden naar 20 uur per week betaald werk via de WSW of een reïntegratiebedrijf. Daarbij houden wij zoveel mogelijk rekening met uw wens zelf uw kind op te voeden.”.

Het tegen het besluit van 20 juli 2004 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 14 maart 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 14 maart 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat de grieven van appellant uitsluitend zijn gericht tegen de hierboven cursief weergegeven zinsnede en dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, en artikel 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar dient te maken.

De Raad is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de hierboven cursief weergegeven zinsnede in het primaire besluit, welke na bezwaar onverkort is gehandhaafd, moet worden gekwalificeerd als een mededeling van louter informatieve aard en dus niet op enig rechtsgevolg is gericht. De Raad voegt daaraan nog toe dat de betreffende passage bovendien slechts ziet op een onzekere toekomstige gebeurtenis zodat ook om die reden niet van een op rechtsgevolg gericht (deel)besluit kan worden gesproken.

Het door appellant gemaakte bezwaar was derhalve niet gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat dat bezwaar, gelet op artikel 8:1, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, door het College niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 maart 2005 vernietigen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad ziet tot slot aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 maart 2005;

Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Woerden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Woerden aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal

€ 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en Th.C. van Sloten en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

RB2212