Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
04-6623 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2004:AR5089, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Wachttijd.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/68 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6623 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2004, 03/3135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 17 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2006.

Appellant is, met bericht, niet verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Betrokkene is op 10 juni 2002 wegens rugklachten uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster. Nadat zij verscheidene malen door de Arbo-arts was gezien, heeft de Arbo-arts haar per 17 februari 2003 hersteld verklaard. Naar aanleiding van een verzoek van betrokkene om een deskundigenoordeel heeft de verzekeringsarts van het Uwv, H. Nouri, haar op 31 maart 2003 onderzocht. Blijkens zijn verslag achtte de verzekeringsarts zich niet in staat om een oordeel te geven over de vraag of betrokkene als gevolg van ziekte per 17 februari 2003 ongeschikt was om haar werk te verrichten.

Naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding heeft de Arbo-arts betrokkene met ingang van 26 maart 2003 ongeschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid.

De werkgever heeft het loon van betrokkene sinds haar ziekmelding op 10 juni 2002 zonder onderbreking doorbetaald.

Bij besluit van 7 mei 2003 heeft appellant geweigerd om betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg.

Bij besluit van 15 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant, beslissend op het door betrokkene gemaakte bezwaar, het besluit van 7 mei 2003 met een gewijzigde motivering gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt de opvatting ten grondslag dat als gevolg van de hersteldverklaring per 17 februari 2003 betrokkene niet onafgebroken, dan wel met een onderbreking van minder dan vier weken, arbeidsongeschikt is geweest, zodat de wachttijd van artikel 19 van de WAO niet is volgemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het betreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft daartoe onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 mei 2004 (LJN: AP1731) overwogen dat appellant niet alleen bevoegd, maar ook gehouden is om te beoordelen of de wachttijd is volgemaakt. Appellant diende dan ook zelf te beoordelen of de hersteldverklaring per 17 februari 2003 op goede gronden heeft plaatsgevonden, waarbij appellant niet alleen mag afgaan op de mededelingen van de Arbo-arts. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen zelfstandige beoordeling door appellant plaatsgevonden, nu het verzoek van betrokkene om een second opinion niet heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de verzekeringsarts.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij de rechtbank kan volgen in de opvatting dat hij zich een zelfstandig oordeel dient te vormen over het al dan niet vervuld zijn van de wachttijd. Appellant bestrijdt echter dat hij dient te beoordelen of de hersteldverklaring door de Arbo-arts per 17 februari 2003 op goede gronden heeft plaatsgevonden. Dit zou volgens hem impliceren dat hij zou moeten beoordelen of per die datum sprake is van ongeschiktheid voor de bedongen arbeid als bedoeld in artikel 629 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het samenstel van bepalingen van artikel 19, eerste, vijfde en zesde lid, van de WAO volgt naar de mening van appellant dat perioden waarover recht bestaat op loondoorbetaling tijdens ziekte zonder meer in aanmerking worden genomen bij de vaststelling of de wachttijd bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO is vervuld, en tevens dat perioden die níet op grond van het bepaalde in artikel 19, vijfde en zesde lid, van de WAO zonder meer in aanmerking kunnen worden genomen, slechts in aanmerking worden genomen als met toepassing van de hoofdregel in artikel 19, eerste lid, van de WAO is vastgesteld dat sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18 van de WAO. In het onderhavige geval stelt appellant zich op het standpunt dat in de periode van 17 februari 2003 tot

26 maart 2003 geen sprake was van loondoorbetaling tijdens ziekte en voorts dat in deze periode geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18 van de WAO. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een rapportage van de bezwaarverzekeringarts J.C. Weegink van 4 februari 2005 overgelegd.

De Raad overweegt als volgt

In voornoemde uitspraak van 28 mei 2004 heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:

“Het vijfde lid van artikel 19 van de WAO bepaalt dat voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, steeds in aanmerking worden genomen tijdvakken gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet (ZW). In het zesde lid van dit artikel is – voor zover hier van belang – vastgesteld dat voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid een belanghebbende geacht wordt aanspraak op ziekengeld krachtens de ZW te hebben, indien hem in verband met het bepaalde in artikel 29 van de ZW geen ziekengeld wordt uitgekeerd. In artikel 29, eerste lid, onder a, van de ZW is geregeld dat, behoudens het tweede lid onder e en de artikelen 29a en 29b van de ZW, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij arbeid behoort te verrichten recht "

heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 BW dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vierde, vijfde of achtste lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

Besluiten met betrekking tot het recht op ziekengeld krachtens de ZW zijn voorbehouden aan appellant. Dat betekent dat geen recht op ziekengeld bestaat, tenzij impliciet of expliciet appellant daartoe heeft besloten. Artikel 19, zesde lid, geeft alleen een regel voor de toepassing van het vijfde lid in die zin dat een verzekerde geacht wordt aanspraak op ziekengeld te hebben als op grond van andere bepalingen van de ZW geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Ook in deze situatie is het vereist dat appellant antwoord geeft op de vraag of zich een van de gevallen van het zesde lid van artikel 19 van de WAO voordoet. Met andere woorden: de juridische fictie van artikel 19, zesde lid, van de WAO kan eerst plaatsvinden als appellant heeft besloten dat zich zo’n geval voordoet. Gelet hierop is de omstandigheid dat de werkgever loon heeft doorbetaald omdat hij of zijn Arbo-dienst meent dat de werknemer arbeidsongeschikt is, niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of de wachttijd is vervuld. Wel is maatgevend als appellant over 52 weken ziekengeld heeft toegekend of als appellant in het kader van de einde wachttijdbeoordeling vaststelt dat zich bijvoorbeeld het geval van artikel 29 ZW heeft voor gedaan. Als appellant erkent dat sprake is van loonbetaling tijdens ziekte dan moet dat tijdvak ook worden meegenomen. Appellant is mitsdien zelfstandig bevoegd te beoordelen of de wachttijd is vervuld”.

De Raad voegt hieraan toe dat, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, appellant niet alleen bevoegd, maar ook gehouden is om te beoordelen of de wachttijd is volgemaakt.

De Raad stelt vast dat een dergelijke zelfstandige beoordeling ten tijde van het bestreden besluit niet had plaats gevonden, zodat het bestreden besluit berust op onvoldoende onderzoek. Verzekeringsarts Nouri, die zich in voormelde second opinion heeft onthouden van een oordeel over de (on)geschiktheid van betrokkene voor haar werk op 17 februari 2003, heeft betrokkene niet lichamelijk onderzocht, en betrokkene is vervolgens in het kader van de WAO-beoordeling noch door een verzekeringsarts noch door een bezwaarverzekeringsarts gezien. Deze gang van zaken moet als uiterst onzorgvuldig worden aangemerkt.

In hoger beroep heeft appellant alsnog voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts Weegink overgelegd. Deze heeft op basis van informatie, verkregen uit de rapportage van de verzekeringsarts Nouri van 31 maart 2003, een journaal van de huisarts van

27 maart 2003 en een brief van de neuroloog A.H.C. Geerlings van 25 augustus 2003, beoordeeld of betrokkene in de periode van 17 februari 2003 tot 26 maart 2003 geschikt was voor haar eigen werk van administratief medewerkster. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Op grond van de informatie van de neuroloog, die aangeeft dat er geen sprake is van een recidief hernia en dat het EMG geen afwijkingen vertoonde, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat betrokkene haar bewegingsapparaat gangbaar mag belasten en dat de lichamelijke belasting in haar werk deze belastbaarheid niet overschrijdt. Uit het journaal van de huisarts blijkt dat betrokkene een dysthyme stoornis heeft, maar er is geen sprake van een ernstige depressie. Uit deze stoornis vloeien naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geen beperkingen voort op grond waarvan betrokkene mentaal haar werk niet zou kunnen verrichten.

De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusies te twijfelen. Op de brief van 1 maart 2005 van Instituut Psychosofia heeft de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 3 oktober 2005 gereageerd, welke reactie de Raad kan onderschrijven. Ook overigens geven de namens betrokkene ingebrachte argumenten geen aanleiding tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenstaande heeft appellant alsnog terecht het standpunt ingenomen dat betrokkene de wachttijd van artikel 19 van de WAO niet heeft volgemaakt, zodat een WAO-uitkering dient te worden geweigerd. De Raad ziet hierin aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

JL