Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
04-7242 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. CBBS. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7242 WAO (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 november 2004, 04/1683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H.H. Fuchs, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fuchs. Het Uwv was – zoals tevoren was bericht - niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

Voor de van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank acht een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant de hem in bezwaar voorgehouden functies kan verrichten.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij een handspalk heeft aangemeten gekregen, dat de klachten van de rechterschouder ten onrechte niet zijn onderzocht en dat hij een huisstofmijtallergie heeft. Zodat de weigering om aan hem per 28 augustus 2003 een WAO-uitkering toe te kennen niet kan worden gedragen door de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Hij heeft uitgebreide medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft bij monde van zijn bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat op grond van de allergietest appellant beperkt is ten aanzien van het werken in stoffige ruimtes; de bezwaarverzekeringsarts heeft voorts aangegeven dat niet duidelijk is op welke medische gronden de handspalk is voorgeschreven. Het Uwv heeft in het verweerschrift gesteld dat niet gebleken is dat de handklachten voorkwamen op de in geding zijnde datum.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens een deel van de geduide functies laten vervallen omdat daarin stof blijkt voor te komen. Als geschikte arbeidsmogelijkheden heeft de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerd: productiemedewerker confectie kleermaken (SBC-code 272042 functienummer 2242-0029-007), inpakker (SBC-code 111190) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333). Een en ander leidt niet tot een verlies aan verdiencapaciteit.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de medische beperkingen van appellant voldoende rekening is gehouden. Appellant is onder meer op de items concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, veelvuldige deadlines, persoonlijk risico, omgaan met conflicten en samenwerken beperkt geacht. Daarnaast is hij beperkt geacht voor het werken in stoffige ruimtes. Met betrekking tot de handklachten wijst de Raad er op dat appellant deze op de verzekeringsgeneeskundige vragenlijst van 14 juli 2003 niet heeft gemeld; de verzekeringsarts heeft lichamelijk onderzoek gedaan waarbij evenmin invaliderende afwijkingen zijn geconstateerd. Voorts heeft de verzekeringsarts – zoals blijkt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 augustus 2003 - de hand van appellant na de val van diens fiets onderzocht en geconstateerd dat sprake is van een oppervlakkige wond. Tenslotte constateert de Raad dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat de medisch specialist L.J.C.D. Mol de hoeveelheid klachten van appellant niet kan toeschrijven aan de minimale pathologie en dat appellant zijn arm volledig mag gebruiken.

De klachten van de schouder zijn evenmin geobjectiveerd.

De Raad ziet dan ook geen reden om een deskundigenoordeel te vragen.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak constateert de Raad dat de onderhavige schatting heeft plaatsgevonden met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Voor wat betreft de aanvaardbaarheid van dit systeem verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN-nummer AR 4721). Daarin heeft de Raad overwogen – kort gezegd – dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten. Voorts verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (ondermeer LJN: AY9971), waarin hij met betrekking tot het nieuwe CBBS is gekomen tot de slotsom dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende in zijn evengenoemde uitspraken van 9 november 2004 beschreven onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven.

In dit geval zijn ten aanzien van appellant in de (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen opgenomen op het gebied van persoonlijk functioneren die niet voorkomen in het resultaat eindselectie, de zogenoemde niet-matchende beoordelingspunten. Noch in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van

9 maart 2004 noch in zijn rapportage van 1 juli 2004 en evenmin in de rapportage van

12 april 2005 is ten aanzien van de functies inpakker en huishoudelijk medewerker toegelicht, waarom appellant deze functies ondanks de genoemde beperkingen kan verrichten. Daarnaast heeft de Raad geconstateerd dat in de functie productiemedewerker confectie kleermaken een bijzondere belasting voorkomt op de punten persoonlijk risico en deadlines/productiepieken, terwijl appellant op deze punten beperkt is geacht. Niet is inzichtelijk geworden dat appellant deze functie desalniettemin kan verrichten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet is voldaan aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Het bestreden besluit is dus onvoldoende gemotiveerd, zodat het wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, omdat daarbij het besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 139,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.