Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
05-659 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat soortgelijke arbeid als betrokkene verrichtte voor zij uitviel, met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers in voldoende mate voorhanden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/659 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 december 2004, 04/501 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 15 december 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door P.J. Reeser, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.A. Moor.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellante is gedurende 12 uur per week werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste en is op 1 april 1999 ten gevolge van een auto-ongeval arbeidsongeschikt geworden. Appellante ontving laatstelijk een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij schrijven van 3 mei 2004 is namens appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van het Uwv op haar bezwaren tegen het besluit van 14 juli 2003. Bij dat laatste besluit heeft het Uwv per 7 augustus 2003 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht.

Bij besluit van 4 mei 2004 zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 14 juli 2003 ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt primair ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen haar voormalige eigen werkzaamheden te verrichten. In subsidiaire zin heeft het Uwv besloten dat appellante nog een aantal voor haar geschikte functies kan verrichten.

Blijkens het rapport d.d. 28 april 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige R. Strobrand kan zij met die functies nog een zodanig inkomen verrichten dat zij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de bezwaren van appellante. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit van 4 mei 2004.

Namens appellante is alleen hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 4 mei 2004.

Appellante heeft de medische grondslag van het besluit bestreden en acht zich daarbij onder meer gesteund door het op haar verzoek uitgebrachte rapport van de orthopedisch chirurg P.A.L. Blokzeijl van 25 november 2002. Zij meent voorts dat het Uwv niet de conclusie kan trekken dat zij geschikt is voor haar oude werk, omdat een omschrijving van haar werkzaamheden ontbreekt en door faillissement van haar voormalige werkgever ook niet meer kan worden verkregen. Zij is van oordeel dat het Uwv de geschiktheid voor het eigen werk niet mede mag baseren op een aantal vergelijkbare functies die in het zogenoemde ClaimBeoordelings- en BorgingsSysteem (CBBS) voorkomen, omdat niet is aangetoond dat deze eenzelfde belasting en loonwaarde hebben als haar vroegere werkzaamheden. Appellante bestrijdt voorts haar geschiktheid voor een aantal andere functies.

Ter zitting van de Raad heeft verweerder aangegeven dat het besluit niet langer wordt gebaseerd op de subsidiaire grond, maar alleen op de geschiktheid van appellante voor haar vroegere werkzaamheden.

De Raad oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Het rapport van Blokzeijl leidt niet tot een ander oordeel, aangezien hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen op orthopedisch gebied.

Voordat zij arbeidsongeschikt werd, was appellante werkzaam als telefoniste-receptioniste in een dienstverband van gemiddeld 12 uur per week. Een beschrijving van de werkzaamheden en belasting van deze functie is niet voorhanden en ook niet meer te verkrijgen, omdat de betreffende werkgever failliet is verklaard.

Geschiktheid voor de laatstelijk verrichte (maatman)arbeid brengt volgens vaste jurisprudentie van de Raad in beginsel mee dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Dat is anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

In dit geval is hervatting in de oude functie niet mogelijk, maar meent het Uwv dat appellante desondanks niet arbeidsongeschikt is, omdat soortgelijke arbeid in voldoende mate voorhanden is. Ter illustratie daarvan heeft het Uwv gewezen op enkele functies van telefoniste/receptioniste die in het CBBS voorkomen en op de relevante datum actueel zijn. Het Uwv meent dat appellante die functies met haar beperkingen kan uitoefenen.

Ter zitting heeft appellante betoogd dat haar vroegere functie specifiek was, omdat zij die samen met een collega uitoefende, zodat ze elkaar konden afwisselen. De Raad vertaalt dit aldus, dat appellante van mening is dat zij door die mogelijkheid tot afwisseling een minder belastende functie had dan als zij er alleen voor zou staan.

Naar het oordeel van de Raad echter, is de functie van telefoniste/receptioniste, ook met die mogelijkheid tot samenwerking en afwisseling, niet zodanig specifiek dat op voorhand moet worden gezegd dat vergelijkbare functies bij andere werkgevers niet voorhanden zijn. Ter illustratie daarvan zouden de functies kunnen gelden die het Uwv bij wijze van voorbeeld in het CBBS heeft aangetroffen.

Naar het oordeel van de Raad moet dan wel komen vast te staan dat appellante die functies met haar beperkingen kan verrichten en dat zij daarmee een inkomen kan verwerven dat op één lijn is te stellen met wat zij met haar vroegere functie verdiende.

De Raad is van oordeel dat van het een noch het ander in voldoende mate is gebleken. Na vergelijking van de functionele mogelijkheden van appellante met de belasting van een aantal van deze voorbeeldfuncties, constateert de Raad overschrijdingen die niet nader zijn toegelicht, zodat onvoldoende duidelijk is geworden of appellante deze functies alle met haar beperkingen kan verrichten. Immers, blijkens de Functionele Mogelijkhedenlijst kan appellante maximaal 3 uur zitten, terwijl in bijvoorbeeld de functie met nummer 2729-0016-002 ongeveer 8 uur dient te worden gezeten.

Daarnaast constateert de Raad dat uit de gedingstukken onvoldoende blijkt dat de salarissen van de geselecteerde voorbeeldfuncties op min of meer hetzelfde niveau liggen als dat van haar voormalige functie. Zo blijkt uit de CBBS-uitdraai dat het loon van telefoniste/receptioniste bij de functienummers 2729-0016-002 en 2729-0016-010 € 8,60 per uur bedraagt, terwijl het maatmaninkomen € 13,15 per uur is. Voorts zijn de functies met nummers 9311-0303-029 en 9311-0303-006 geactiveerd na de datum in geding, zodat ook daarvan de loonwaarde op laatstgenoemde datum niet vaststaat.

Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de conclusie dat door het Uwv onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat soortgelijke arbeid als appellante verrichtte voor zij uitviel, met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers in voldoende mate voorhanden is.

Het bestreden besluit komt gelet hierop met de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten voor vernietiging in aanmerking.

Het Uwv dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op de bezwaren van appellante te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Appellante heeft tevens gevraagd om vergoeding van de kosten van het rapport van Blokzeijl van 25 november 2002, maar die kosten komen in het kader van de thans aanhangige procedure niet voor vergoeding in aanmerking. Dat rapport is door appellante ingebracht in een eerdere procedure die is uitgemond in de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2005 waarbij aan de orde was de toekenning van de WAO-uitkering aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% per 23 januari 2001. In die aldus afgeronde procedure is het niet gekomen tot vergoeding van die kosten. In de thans aanhangige procedure dateert dat rapport van vóór het besluit in primo van 14 juli 2003 waarbij de WAO-uitkering aan appellante per 7 augustus 2003 is ingetrokken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 mei 2004 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep voor zover dat tegen het besluit van 4 mei 2004 is gericht gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

TM