Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
04-6795 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6795 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 17 november 2004, nr. 04/474 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij verwezen naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 31 januari 2005.

Bij brief van 9 maart 2005 heeft het Uwv een rapportage van de bezwaar- arbeidsdeskundige H.J. Boomgaard ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Namens appellante is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft sedert jaren, in elk geval sedert 1984, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %, welke uitkering, omdat zij parttime werkzaam was als kantinemedewerkster in WSW- verband, onder toepassing van artikel 44 van de WAO werd uitbetaald naar een lager percentage. Per 25 november 1999 heeft zij zich ziek gemeld in verband met toegenomen klachten van psychische aard, waarna haar uitkering volledig werd uitbetaald. Bij een herbeoordeling in 2002 is appellante gezien door de verzekeringsarts van het Uwv die het aangewezen heeft geacht om informatie op te vragen bij de huisarts en een onderzoek te laten instellen naar haar psychische situatie door C.J.F. Kemperman, zenuwarts te Leek. Uit diens rapport van 4 november 2002 heeft de verzekeringsarts afgeleid, dat appellante weliswaar psychische klachten ondervindt, zonder dat dit betekent dat zij niet belastbaar is met arbeid waarbij met deze klachten rekening wordt gehouden. Deze arts heeft de beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de bevindingen van Kemperman in juni 2003 met appellante besproken. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige, blijkens diens rapport van 2 september 2003, een aantal voor appellante geschikt te achten functies geduid en vastgesteld dat het daarmee te verdienen loon afgezet tegen het zogenoemde maatmanloon een verlies aan verdiensten oplevert van minder dan 15 %. Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld, dat haar uitkering krachtens de WAO per 27 november 2003 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum moet worden gesteld op minder dan 15 %.

Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 6 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich met name gebaseerd op het rapport van G.W. Egbers, bezwaararbeidsdeskundige, die in dit rapport het oordeel van de verzekeringsarts heeft onderschreven.

Namens appellante is beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat, mede gelet op het rapport van de deskundige Kemperman, de medische grondslag van dit besluit voldoende is onderbouwd en dat de beperkingen van appellante door het Uwv niet zijn onderschat.

In het namens appellante ingestelde hoger beroep is - onder verwijzing naar hetgeen ook reeds bij de rechtbank was aangevoerd - gesteld, dat het rapport van de deskundige Kemperman inconsistent is, omdat deze wel verslag doet van een aantal bij appellante bestaande klachten van psychische aard (onder andere geheugen- en concentratiestoornissen), maar (vrijwel) geen beperkingen aangeeft voor het verrichten van arbeid.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt vast dat de deskundige Kemperman in diens uitgebreide en naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerde rapport aangeeft dat ten aanzien van appellante sprake is van een persoonlijkheidsstoornis (ook wel: dystyme stoornis), maar dat zulks haar niet hoeft te beletten om in enige vorm arbeid te verrichten. Van een door de gemachtigde van appellante gesuggereerde inconsistentie is in dit rapport geen sprake: de door de deskundige vermelde klachten vloeien voort uit de door deze deskundige afgenomen anamnese en werden in diens psychiatrisch onderzoek niet bevestigd.

De Raad kan zich, gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, verenigen met de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Daarbij tekent de Raad aan dat van de zijde van appellante geen nadere (medische) informatie is verstrekt die tot een andersluidende conclusie zou kunnen leiden.

Voor zover appellante de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit bestrijdt, blijkt uit de gedingstukken en met name het voornoemde rapport van 9 maart 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Bomgaard, dat het bij de geselecteerde functies gaat om arbeid met een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen of deadlines en zonder een hoog handelingstempo. Dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante zou overschrijden, is niet gebleken.

Het voorgaande betekent, dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.