Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
06-1393 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Algemene bijstandswet 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 111
USZ 2007/72 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1393 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2006, 05/589 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.L.T. van Roy, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met

reg.nr. 06/1392, plaatsgevonden op 5 december 2006, waar appellant niet is verschenen en waar het Dagelijks Bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Houtsma, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving van het Dagelijks Bestuur van 16 januari 2003 tot en met

30 september 2003 in aanvulling op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hij heeft daarbij opgegeven te wonen op het adres [adres] te Hillegom.

Naar aanleiding van de constatering dat appellant reed in de auto van zijn gewezen partner [gewezen partner] (hierna: [gewezen partner]) heeft het Dagelijks Bestuur door de Sociale Recherche Duin- en Bollenstreek (hierna: sociale recherche) een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, zijn observaties uitgevoerd, zijn diverse getuigen gehoord en hebben appellant en [gewezen partner] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 september 2003. De resultaten van het onderzoek zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 16 februari 2004 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 16 januari 2003 tot en met 30 september 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.358,64 van appellant terug te vorderen.

Bij besluit van 15 december 2004 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2004 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant gedurende de periode van 16 januari 2003 tot en met 30 september 2003, zonder daarvan aan het Dagelijks Bestuur melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [gewezen partner] in haar woning op het adres [adres 2] te Warmond en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

Het Dagelijks Bestuur heeft aan de intrekking van de aan appellant verleende bijstand ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [gewezen partner] in de toenmalige gemeente Warmond.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 27 november 2001, LJN AL1334), brengt de vaststelling dat een persoon geen woonplaats heeft in de gemeente waar hij stelt recht op bijstand te hebben, mee dat de betrokkene reeds op die grond geen recht heeft op bijstand jegens die gemeente. In dat geval staat niet aan het bijstandverlenende orgaan van die gemeente ter beoordeling of de betrokkene in de gemeente waar hij wel woonde een gezamenlijke huishouding voerde. Aangezien het Dagelijks Bestuur het bijstandsverlenend orgaan van de gemeente Hillegom is, stond het aan het Dagelijks Bestuur in die hoedanigheid niet ter beoordeling of appellant een gezamenlijke huishouding voerde in de toenmalige gemeente Warmond. Het feit dat het Dagelijks Bestuur ten tijde hier van belang eveneens het bijstandsverlenend orgaan van de toenmalige gemeente Warmond was, maakt dat niet anders.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van 15 december 2004, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand, op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust en derhalve in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te

bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 15 december 2004 in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Naar het oordeel van de Raad biedt het rapport van de sociale recherche van 17 september 2003 voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant van 16 januari 2003 tot en met 30 september 2003 niet zijn woonplaats in Hillegom had.

De Raad hecht daarbij in het bijzonder betekenis aan de verklaringen die bewoners in de buurt van de adressen van appellant en [gewezen partner] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Bewoners in de buurt van het adres van [gewezen partner] hebben verklaard dat appellant en [gewezen partner] sinds 2000 onafgebroken op dat adres wonen en dat zij appellant (bijna) dagelijks de woning van [gewezen partner] zien in- en uitgaan. Bewoners in de buurt van het adres van appellant hebben verklaard dat zijn woning niet wordt bewoond en dat hij daar af en toe langskomt en na korte tijd weer vertrekt. Deze verklaringen vinden steun in de bevindingen van de observaties over de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 maart 2003 waaruit blijkt dat de auto van appellant regelmatig in de buurt van het adres van [gewezen partner] en nooit in de nabijheid van zijn eigen adres is aangetroffen. De verklaringen die de buurtbewoners in de omgeving van het adres van [gewezen partner] hebben afgelegd vinden daarnaast steun in de gedurende de periode van 27 juni 2003 tot en met 1 juli 2003 in de omgeving van dat adres uitgevoerde cameraobservaties. Uit de bevindingen van die cameraobservaties blijkt dat appellant de woning van [gewezen partner] binnenging, er verbleef en deze weer verliet op een wijze en in frequentie van een doorsnee bewoner van een woning. De Raad acht verder van belang dat [gewezen partner] tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat appellant elke dag, soms twee of drie keer, bij haar langskomt om hun dochter te zien. Met betrekking tot de door appellant in het geding gebrachte door acht buurtbewoners ondertekende verklaring dat appellant niet woonachtig is op het adres van [gewezen partner], maar daar wel wordt gesignaleerd, is de Raad van oordeel dat deze bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende waarde heeft om op grond daarvan te concluderen dat appellant zijn woonplaats in Hillegom had.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant op grond van artikel 63, eerste lid, van de Abw ten tijde in geding niet langer recht op bijstand jegens het bijstandsverlenend orgaan van de gemeente Hillegom had.

Appellant heeft van het feit dat hij ten tijde hier van belang geen woonplaats had in de gemeente Hillegom aan het Dagelijks Bestuur geen mededeling gedaan. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingen-verplichting geschonden. Die schending heeft tot gevolg gehad dat aan appellant over de periode van 16 januari 2003 tot en met 30 september 2003 ten onrechte bijstand is verleend, zodat het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd is de bijstand van appellant over die periode in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de intrekking is overwogen volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de

WWB, zodat het Dagelijks Bestuur bevoegd is de over de periode van 16 januari 2003 tot en met 30 september 2003 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 december 2004 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €966,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.N.A. Bootsma.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

EK0201