Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
05-1697 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1697 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2005, 03/6132 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006.

Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was van 5 maart 2001 tot 4 september 2002 als medewerker distributiecentrum in dienst van Fetim B.V. te Amsterdam, waar hij laatstelijk vanaf maart 2002 werkzaam was als orderpikker.

Appellant heeft zich per 19 februari 2003, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, wegens psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is appellant verschillende keren op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend psychiater A. Lisei. Op 22 augustus 2003 stelde de verzekeringsarts vast dat appellant na een vakantieverblijf in Turkije zodanig was hersteld van zijn spanningsklachten dat hij niet langer arbeidsongeschikt was.

Appellant werd met ingang van 25 augustus 2003 hersteld verklaard en bij besluit van

26 augustus 2003 is aan hem meegedeeld dat hij met ingang van 25 augustus 2003 geen recht meer had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink. Mede gelet op de door voornoemde psychiater verstrekte inlichtingen stelde de bezwaarverzekeringsarts vast dat bij appellant, naast hypertensie, sprake was van spanningsklachten in verband met psychosociale problematiek. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat appellant nog redelijk kon functioneren en geschikt was voor arbeid waarbij geen sprake was van directe conflicthantering, veelvuldige deadlines en/of produktiepieken en vanwege de duizeligheid ook geen werken op hoogtes. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar appellants werk als orderpikker en geconstateerd dat de daaraan verbonden belasting diens belastbaarheid niet overschreed.

Bij besluit van 25 november 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 26 augustus 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, die naar het oordeel van de rechtbank beschikte over voldoende medische gegevens. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant geen medische gegevens had overgelegd waaruit voortvloeit dat sprake was van ernstiger psychische klachten dan door de bezwaarverzekeringsarts was aangenomen of waaruit valt af te leiden dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek ingesteld en is er geen reden om aan te nemen dat de psychische beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad verwijst verder nog naar het in eerste aanleg uitgebrachte rapport van 9 maart 2004, waarin voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft uiteengezet dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat appellant rugklachten had die hem het werk als orderpikker verhinderden. Van de zijde van appellant zijn ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen reden voor een nader medisch onderzoek.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

24 januari 2007.

(get.) Ch van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

JL