Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
04-6705 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6705 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2004, 03/3248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant, heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht en op goede gronden de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 10 maart 2003 heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van

23 september 2003 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts H.C. van der Peijl ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 10 maart 2003 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 18,8% bedraagt.

Appellant heeft zich in hoger beroep - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de medische onderzoeken niet zorgvuldig zijn geweest, omdat deze onvoldoende op appellants rugklachten, pijn in de onderrug en pijn in de beide benen waren gericht. Door deze klachten, welke naar de mening van appellant aanleiding hadden moeten geven voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek, is appellant niet in staat om loonvormende arbeid te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek, waarbij appellant zowel in de primaire fase als in bezwaar is onderzocht, zorgvuldig en weloverwogen geweest. Noch uit de informatie van de behandelende orthopedisch chirurg dr. P.J.T.M. Jaspers en de neuroloog W. van Pelt noch anderszins is gebleken dat de belastbaarheid van appellant niet juist is vastgesteld. Door appellant is geen medische informatie in geding gebracht die steun biedt aan diens eigen opvatting dat sprake is van een onjuiste medische oordeelsvorming. In het bovenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten aanwezig acht om, als namens appellant verzocht, een deskundige in te schakelen.

De Raad heeft uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om er van uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

RB1812