Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
04-6511 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6511 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2004, 04/1123 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006, waar appellant met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, die laatstelijk werkzaam is geweest als heftruckchauffeur/magazijnmedewerker, is op 16 september 2002 uitgevallen wegens nek- en rugklachten.

In het kader van de einde wachttijdbeoordeling is appellant onderzocht door de verzekeringsarts E. Klerkx-Maassen, die op grond van de onderzoeksbevindingen een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft vastgesteld, waarin appellant is aangewezen op licht fysiek werk met voldoende afwisselingsmogelijkheden van de houding. Vervolgens zijn door de arbeidsdeskundige G.W. Uijen de Kleijn functies geselecteerd en is een mate van arbeidsongeschiktheid van 52,6% vastgesteld. Bij besluit van 4 september 2003 is appellant met ingang van 15 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar de klasse 45 tot 55%.

Bij besluit van 20 april 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep zijn namens appellant de eerdere grieven herhaald. Deze houden in dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van appellant en dat appellant door zijn klachten niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen. Voorts is het oordeel van de rechtbank bestreden dat er voldoende overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts Klerkx-Maassen voor appellant vastgestelde beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat informatie uit de behandelende sector is meegewogen en dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen verdergaande beperkingen in de FML hadden moeten worden opgenomen. Vastgesteld kan worden dat de medische grondslag van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voorts stelt de Raad vast dat door de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg de mogelijke overschrijdingen van de verschillende voor appellant geselecteerde functies in voldoende mate zijn gemotiveerd, waarmee voor de Raad de geschiktheid voor deze functies genoegzaam is komen vast te staan. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting overweegt de Raad dat ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot vernietiging van het bestreden besluit. Hiermee berust de arbeidskundige grondslag eveneens op goede gronden.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

RB1812