Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
06-2697 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand. Onvolledig en onjuist onderzoek naar feitelijk woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2697 WWB (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van

27 maart 2006, 06/306 en 06/307 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 23 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt met ingang van 1 januari 1998 een uitkering ingevolge de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), naar de norm voor een alleenstaande, ter aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het College heeft deze uitkering, na deze op

19 september 2005 te hebben opgeschort, bij besluit van 27 september 2005 ingetrokken.

Op 3 oktober 2005 heeft appellante een nieuwe aanvraag om een Ioaw-uitkering ingediend. Het College heeft deze aanvraag van appellante bij besluit van 21 november 2005 afgewezen op de grond dat appellante niet woonachtig is op het door haar opgegeven adres.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat het zwaartepunt van het leven van appellante niet in Amsterdam maar in Apeldoorn ligt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van

5 januari 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hierbij overwogen - kort weergegeven- dat het besluit van 5 januari 2006 op een onjuiste wettelijke grondslag is gebaseerd.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 11, van de Ioaw is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Appellante is in september 2005 door medewerkers van de Sociale Dienst (hierna: de Dienst) van de gemeente Amsterdam tot twee maal toe niet thuis aangetroffen en is ook niet verschenen op een schriftelijke oproep van de Dienst. Gebleken is evenwel dat appellante van 16 tot en met 26 september 2005 met vrienden uit Apeldoorn met vakantie naar Duitsland is geweest zonder daarvan aan het College mededeling te doen hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het besluit van

27 september 2005 waarbij haar uitkering is ingetrokken.

De Raad heeft vastgesteld dat appellante na een verblijf van enige jaren in Apeldoorn, zij beschikte daar tot 1998 over een eigen caravan, in 1998 is teruggegaan naar Amsterdam waar zij zich weer heeft laten inschrijven op het adres [adres], het adres waar zij ook voordien woonachtig is geweest. Tijdens haar afwezigheid had zij haar woning verhuurd.

In verband met haar aanvraag van 3 oktober 2005 is onmiddellijk in aansluiting op een onderhoud bij de Dienst op

8 november 2005 een huisbezoek gebracht op het door appellante in Amsterdam opgegeven adres. Uit dit huisbezoek is niet komen vast te staan dat appellante daar niet woonde en leefde. Zo is onder meer de persoonlijke administratie van appellante in die woning aangetroffen. De door de Dienst in de woning van appellante waargenomen woon- en leefsituatie stemde overeen met de situatie zoals die door appellante bij het even daarvoor bij de Dienst gehouden gesprek was beschreven.

De Raad heeft evenals het College vastgesteld dat appellante tot het tijdstip van haar aanvraag van 3 oktober 2005 regelmatig wekelijks één of enkele dagen in Apeldoorn verbleef. Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat zij af en toe bij

A. [W.], een vriend van haar, verbleef maar meestal bij de familie [V. E.]. Met mevrouw [V. E.] ging zij elke dinsdagavond zwemmen bij de zwemvereniging waarvan zij lid was.

Anders dan het College kan de Raad daaraan echter niet de conclusie verbinden dat appellante haar woonstede in Amsterdam heeft prijs gegeven dan wel daartoe de bedoeling heeft gehad. Ook het feit dat appellante in Apeldoorn haar tandarts en haar medisch specialist heeft aangehouden, kan niet leiden tot de conclusie dat zij ook haar werkelijke verblijf in Apeldoorn had. Appellante heeft haar postbus in Apeldoorn aangehouden omdat zij in Amsterdam er geen kon krijgen. Zij kwam, zoals gesteld, wekelijks in Apeldoorn en kon dan haar post ophalen en meenemen naar Amsterdam. De Raad heeft voorts moeten vaststellen dat door appellante niet alleen girale betalingen in Apeldoorn werden gedaan maar evenzeer in Amsterdam, zo blijkt uit de bankafschriften.

Door het College zijn geen verklaringen in geding gebracht van buurtbewoners van appellante in Amsterdam waaruit zou blijken dat appellante niet haar werkelijk verblijf had in de woning aan de [adres] Evenmin zijn de vrienden van appellante in Apeldoorn, waar zij zich volgens het College doorlopend zou bevinden, gehoord.

De Raad is dan ook van oordeel dat het onderzoek naar de werkelijke woon- en verblijfsituatie van appellante in verband met haar aanvraag onvolledig en onzorgvuldig is geweest en dat op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden geconcludeerd dat appellante geen aanspraak kon maken op een uitkering jegens het College.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 5 januari 2006 in stand zijn gelaten. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in hoger beroep voor verleende bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 5 januari 2006 in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2007.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.