Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
06-3875 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 29 augustus 2003 slechts een mededeling bevat en derhalve niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 119

Uitspraak

06/3875 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2005, 03/5566

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: College)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Lavell, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv) een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij besluit van 20 januari 2003 heeft het College een bedrag van € 2.418,01 van appellante teruggevorderd in verband met ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Ter invordering van deze schuld heeft het College bij schriftelijke kennisgeving van

21 augustus 2003 bij het Uwv beslag gelegd op de uitkering van appellante. In dat kader is verzocht om alle bedragen boven de beslagvrije voet, waaronder de vakantietoeslag, in te houden en over te maken aan de Sociale Dienst Amsterdam. Nadat het Uwv de kennisgeving voor “gezien” had teruggestuurd heeft het College - conform de verplichting voortvloeiend uit artikel 87, tweede lid, en artikel 14f, negende lid, van de Algemene bijstandswet, bezien in samenhang met artikel 479g, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijker Rechtsvordering - appellante bij aangetekende brief van

29 augustus 2003 op de hoogte gesteld van de beslaglegging.

Bij besluit van 18 november 2003 heeft het College het door appellante tegen de brief van 29 augustus 2003 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 november 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de brief van 29 augustus 2003 slechts een mededeling bevat en derhalve niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Zoals het College en de rechtbank ook al hebben aangegeven dient appellante, indien zij het niet eens is met het beslag, via een advocaat/procureur verzet aan te tekenen bij de civiele sector van de rechtbank.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) S. van Ommen.

BK 150107