Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
06-1004 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WW-uitkering afgewezen, omdat appellant geen werknemer was in de zin van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1004 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2005 , 04/5054 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Karkache, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant is werkzaam geweest als imam en heeft daartoe een arbeidsovereenkomst gesloten met de Vereniging [naam vereniging]. Ingaande 15 oktober 2002 is appellant werkloos en op 27 maart 2003 heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 8 maart 2004 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen, omdat appellant geen werknemer was in de zin van de WW. Bij besluit van 14 oktober 2004 (verder te noemen: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe -kort gezegd- overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor het bestaan van een gezagsverhouding tussen het moskeebestuur en appellant. Het moskeebestuur had geen invloed op de inhoudelijke invulling door appellant van zijn ambt als imam en zijn werktijden werden overwegend bepaald door religieuze voorschriften. In vergelijking met deze gevallen zijn de spaarzame gevallen waarin het moskeebestuur invloed uitoefende op appellant (te weten bij de vakantieplanning, de keuze van lesmateriaal en huisbezoek) van onvoldoende gewicht om van een gezagsverhouding te kunnen spreken.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat uit de door hem gesloten arbeidsovereenkomst reeds kan worden afgeleid dat er sprake is van gezag tussen werkgever en werknemer. Ook zijn taken kunnen hieruit worden gedistilleerd: 10 uur per week lesgeven aan de kinderen als godsdienstleraar en 26 uur per week als imam werken.

Het schrijven en opstellen van de preken voor vrijdag en zondag en het leiden van de vijf dagelijkse gebedsdiensten vloeien voort uit de arbeidsovereenkomst. Het bestuur heeft volgens appellant invloed op de inhoud van zijn preken en ook uit het feit dat het bestuur heeft gekozen voor een aanstelling van appellant als godsdienstleraar, in plaats van daarvoor iemand afzonderlijk aan te stellen, volgt volgens appellant dat hij onder gezag van het bestuur werkzaam was.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (verwezen wordt onder meer naar

CRvB 20 januari 2000, LJN AE8532) kan een geestelijk ambt, waaronder dat van imam maar ook dat van godsdienstleraar in een moskee, worden uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst, zij het dat dan wel feitelijk voldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten moeten bestaan voor het aannemen van -onder meer- een reële gezagsverhouding, omdat in verband met het bijzondere karakter van het geestelijk ambt voor het uitoefenen van werkgeversgezag slechts geringe ruimte bestaat.

De Raad heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten gevonden om appellant te kunnen volgen in zijn zienswijze. In de door hem gesloten arbeidsovereenkomst is een aantal taken opgenomen die hij moet uitoefenen. Over de wijze waarop hij daar inhoud aangeeft is hij echter vrij. Het moskeebestuur heeft daarop geen invloed. Dat het moskeebestuur aanwijzingen zou kunnen geven over de onderwerpen die appellant in zijn preken zou moeten behandelen, maakt het voorgaande niet anders. Ook daarvoor geldt dat het moskeebestuur geen zeggenschap heeft over de wijze waarop appellant die onderwerpen vervolgens vorm geeft en inhoudelijk behandelt. Organisatorisch is appellant weliswaar niet geheel vrij in zijn doen en laten, maar de Raad is niet tot de overtuiging gekomen dat het moskeebestuur ook inhoudelijk zoveel zeggenschap kan uitoefenen over de wijze waarop appellant uitvoering geeft aan zijn taak van imam en godsdienstleraar dat gesproken moet worden van een reële gezagsverhouding.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.

RB2912