Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
05-265 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Is betrokkene terecht geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/265 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2004, 04/2894 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door A. Adiyaman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Larijsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft op 2 januari 2002 haar werkzaamheden als schoonmaakster gestaakt wegens nekklachten. De mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) werd per einde wachttijd door het Uwv vastgesteld op minder dan 15%, omdat appellante, rekening houdend met haar belastbaarheid, in staat werd geacht gangbare arbeid te verrichten. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Appellante heeft zich met ingang van 17 maart 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege klachten aan haar nek, schouder en rug en wegens duizeligheid.

Verzekeringsarts A.E.F. van der Velden heeft appellante op het spreekuur gezien. Hij heeft vastgesteld dat geen sprake is van bewegingsbeperkingen en heeft haar geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van

15 juni 2004 is aan appellante kenbaar gemaakt dat aan haar met ingang van 16 juni 2004 geen ziekengeld wordt toegekend.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het rapport van

20 augustus 2004 van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes. Deze bevestigt op basis van dossieronderzoek, lichamelijk en psychiatrisch onderzoek de conclusie van de verzekeringsarts dat appellante op de datum in geding geschikt is te achten voor de geduide functies in het kader van de WAO-beoordeling.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan het afschrift van de medische kaart en de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de inhoud en de wijze van totstandkoming van de verzekeringsgeneeskundige rapporten, niet worden gezegd dat het Uwv in onvoldoende mate kennis heeft vergaard omtrent de relevante medische en overige feiten. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd ten opzichte van de WAO-beoordeling.

In hoger beroep stelt appellante zich onder andere op het standpunt dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met haar lichamelijke klachten en dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de verergering van haar klachten in de periode tussen

23 april 2003 en 16 juni 2004. Appellante heeft bij haar beroepschrift een brief van haar huisarts, P.A.J. Rijnierse, van 6 december 2004 overgelegd, waarin onder andere is opgenomen dat bij herhaald orthopedisch en bij röntgenologisch onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld. Tevens blijkt hieruit dat appellante geen baat heeft gehad bij pijnstilling en bij fysiotherapie. Appellante verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen. Het Uwv heeft, onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, aangegeven het eerdere standpunt te handhaven.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens aangedragen die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. Zoals ook bezwaarverzekeringsarts Erk-Raes in haar reactie op de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts heeft aangegeven, bevat deze brief geen gegevens die aanleiding geven voor een ander oordeel. Evenals de rechtbank heeft appellante de Raad er niet van kunnen overtuigen dat haar medische situatie op de datum in geding – 16 juni 2004 – was verslechterd ten opzichte van de WAO-beoordeling. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in

tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op

24 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) J. Verrips

TM