Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
05-1886 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting met behulp van CBBS. Besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1886 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2005, 04/2671 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Piternella voornoemd. Het Uwv -daartoe ambtshalve opgeroepen- heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als elektromonteur toen hij op 19 augustus 1998 uitviel wegens lies,- en knieklachten. Nadien hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. Met ingang van 18 augustus 1999 is aan appellant een uitkering op de grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 27 februari 2003 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering met ingang van 22 april 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% bedroeg. Dit besluit berust op het onderzoek d.d. 20 januari 2003 van de verzekeringsarts M.A. Ririassa.

Deze verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan en met behulp van het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige R. Tensen blijkens het rapport van 21 februari 2003 een viertal functies geselecteerd en uitgaande van de drie hoogst verloonde functies het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 2,22%.

Appellant heeft tegen het besluit van 27 februari 2003 bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever onderschrijft in haar rapport van

17 augustus 2003 de conclusie van de verzekeringsarts Ririassa. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft -kort gezegd- overwogen geen aanleiding te hebben gevonden de bevindingen en de conclusies voor onjuist te houden nu aan het oordeel van de verzekeringsarts Ririassa mede de informatie d.d. 25 november 2002 van de fysiotherapeut R. Janssen ten grondslag ligt.

Namens appellant zijn in hoger beroep de in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Volgens appellant is geen rekening gehouden met de informatie van de fysiotherapeut Janssen en de informatie van orthopedisch chirurg Winia. Appellant acht zich nog steeds arbeidsongeschikt en is niet in staat enige arbeid te verrichten.

De Raad oordeelt als volgt.

Allereerst merkt de Raad op dat ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen de bevoegdheid hebben tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen. De Raad stelt vast dat namens het Uwv (ter zitting) nadere stukken zijn overgelegd, waardoor voornoemde termijn is overschreden. Nu de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van de desbetreffende stukken, heeft de Raad geen aanleiding gezien de stukken buiten beschouwing te laten.

Vervolgens stelt de Raad vast dat de in hoger beroep naar voren gebrachte grieven van appellant uitsluitend zien op de medische component van de omstreden arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de verzekeringsarts Ririassa en de bezwaarverzekeringsarts Wever. Naar het oordeel van de Raad is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en vastgestelde beperkingen van appellant. De verzekeringsarts beschikte over de verklaring

d.d. 25 november 2002 van de fysiotherapeut Janssen en heeft deze informatie meegenomen in de beoordeling. De bezwaarverzekeringsarts Wever heeft appellants belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien en heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven. Mede gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsarts als onvoldoende en onzorgvuldig moeten worden gekenschetst. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen, noch in beroep noch in hoger beroep, heeft onderbouwd met medische stukken die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de conclusies van de verzekeringsartsen.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat door de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad nadere stukken in het geding zijn gebracht, waaronder een rapport d.d. 12 december 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige A.M.A. Kuiper. Deze bezwaararbeidsdeskundige heeft het CBBS opnieuw geraadpleegd en onderzocht of de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant vallen. Daarbij heeft Kuipers een nadere deugdelijke toelichting gegeven op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies. De functie van machinebediende kunststofverwerkende industrie (scb-code 271092) is komen te vervallen. Dit heeft echter geen gevolgen voor de arbeidsongeschiktheidsklasse.

Naar het oordeel van de Raad zijn de ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de in hoger beroep overgebleven functies voldoende en adequaat gemotiveerd.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en dat in hoger beroep uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte motivering is gegeven. Gelet op ’s-Raads uit zijn uitspraken van 9 november 2004 (USZ 2004,353) blijkende oordeel met betrekking tot het CBBS, leidt zulks tot de conclusie dat in dit geval, gezien inhoud en reikwijdte van die nadere motivering, het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Thans is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de beslissing als gegeven in rubriek III.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden in eerste aanleg begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 644,-- eveneens voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot €1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 644,-- aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) J. Verrips

TM