Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
05-1417 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag ZW-uitkering. Geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1417 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 februari 2005, 04/900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulikx , advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gulikx voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als vakkenvulster via een uitzendbureau, heeft haar werkzaamheden op 26 februari 2003 gestaakt vanwege schouderklachten, tintelingen in haar vingers en duizeligheid. Tevens was zij bekend met psychische klachten waarvoor zij op dat moment al onder behandeling was bij psychiater G.G. Hulsebos. Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 16 juni 2003 ziekengeld toe te kennen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Op 16 juni 2003 heeft appellante haar werkzaamheden als vakkenvulster hervat. Zij is na twee uur wederom uitgevallen. Nadat appellante het Uwv meerdere keren had verzocht om een beslissing naar aanleiding van deze uitval, heeft zij op 24 oktober 2003 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van deze beslissing. Blijkens een brief van 7 november 2003 heeft het Uwv het verzoek van appellante vervolgens aangemerkt als een herhaalde aanvraag om ziekengeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Teneinde te beoordelen of sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, is appellante op 22 december 2003 gezien door verzekeringsarts

M.A. de Graaff. Hij heeft vastgesteld dat per 16 juni 2003 sprake was van dezelfde klachten als waarmee appellante op 26 februari 2003 is uitgevallen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd. Het Uwv heeft vervolgens, daarmee afwijkend van de eerder in gang gezette procedure als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, bij besluit van 22 december 2003 aan appellante kenbaar gemaakt dat zij met ingang van 16 juni 2003 niet meer ongeschikt was om haar arbeid te verrichten en heeft opnieuw geweigerd om appellante ziekengeld toe te kennen.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante verklaringen overgelegd van psychiater Hulsebos, fysiotherapeut M. Vinke en revalidatie-arts J.G. Kuijpers. Mede op basis van de informatie van psychiater Hulsebos en gelet op het feit dat de verklaringen van de fysiotherapeut en de revalidatie-arts niet de datum in geding betroffen, achtte bezwaarverzekeringsarts L. Greveling blijkens haar rapport van

24 februari 2004 geen medische redenen aanwezig om het bezwaar tegen voormeld besluit gegrond te verklaren. Op 12 maart 2004 heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van15 april 2004 (het bestreden besluit) het primaire besluit van 22 december 2003 gehandhaafd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, op 16 juni 2003 sprake was van een nieuwe ziekmelding, maar heeft het beroep van appellante niettemin ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

In hoger beroep heeft appellante, onder overlegging van een aantal medische verklaringen van psychiater Hulsebos, naar voren gebracht dat zij, gelet op haar psychische en fysieke beperkingen, niet geschikt is voor het verrichten van haar arbeid en dat zij voldoet aan alle voorwaarden die gelden om in aanmerking te komen voor de uitkering op grond van de Ziektewet. In reactie hierop heeft het Uwv, onder overlegging van twee rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, aangegeven haar eerdere standpunt te handhaven.

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat op 16 juni 2003 sprake was van een mislukte poging tot werkhervatting en dat zich op die dag geen nieuw ziektegeval heeft voorgedaan. Mitsdien moet hier worden gesproken van een weigering van het Uwv om terug te komen van haar besluit van 3 juni 2003.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, was deels reeds bekend en betrof voor het overige niet de datum in geding. Ook de brief van psychiater Hulsebos die in de bezwarenprocedure is overgelegd heeft betrekking op klachten die op de datum in geding al bekend waren, en dus zijn meegewogen in het besluit van 3 juni 2003. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Met betrekking tot de eerst in hoger beroep bij de Raad ingebrachte medische verklaringen overweegt de Raad dat hij in gedingen als de onderhavige ten aanzien van de weigering om terug te komen van een eerder besluit in zijn uitspraak van 23 december 2003, 01/6434 WAO, (niet gepubliceerd) ten aanzien van eerst in hoger beroep overgelegde stukken het volgende heeft overwogen: " Uit de aard der zaak kan bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken, die niet bij gedaagde bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit". De Raad ziet geen aanleiding om daarover in het onderhavige geval anders te oordelen.

Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, zij het op andere gronden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) J. Verrips

TM